Rick-Jongen-1
 
NL / EN / DE

Beginselplicht tot handhaving: niet bij bestuurlijke boetes

Overtreding van wet- en regelgeving wordt niet alleen gehandhaafd door politie en justitie. Afhankelijk van het soort regels waar je mee te maken krijgt kan ook het college van B&W, Gedeputeerde Staten of de minister bevoegd zijn om handhavend op te treden. Denk bijvoorbeeld aan een overtreding van het bestemmingsplan, milieuvoorschriften in een vergunning, de Drank- en horecawet en de AVG.

De beginselplicht tot handhaving: hoe zat het ook alweer?

Bij een overtreding van dergelijke bestuursrechtelijke regelgeving, kan de overheid handhavend optreden door bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang of dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen, of een vergunning in te trekken. 

Met betrekking tot de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom, kennen we sinds de jaren ’90 de beginselplicht tot handhaving. Op grond van deze beginselplicht moet de overheid – al dan niet op verzoek van een belanghebbende (zoals een omwonende of een concurrent) - bijna altijd handhaven. Het overheidsorgaan dat bevoegd is handhavend op te treden met een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang, moet daar dus ook gebruik van moet maken.

Uitzonderingen op de beginselplicht

Op die beginselplicht bestaat een aantal uitzonderingen. Van handhaving kan worden afgezien als sprake is van bijzondere omstandigheden: 

  1. Er is concreet zicht op legalisatie. Bijvoorbeeld omdat voor de overtreding een vergunningaanvraag is ingediend en die vergunning naar verwachting verleend zal worden. De situatie wordt dan op korte termijn legaal en het is dan weinig zinvol om handhavend op te treden.

  2. Daarnaast kan van handhaving worden afgezien als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Het gaat dan om minuscule overtredingen waar niemand echt last van kan hebben. Deze komen overigens in de praktijk niet vaak voor.

  3. Ook bijvoorbeeld een beroep op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel kan aan handhaving in de weg staan. Als de overheid heeft toegezegd niet handhavend op te zullen treden, dan mag een burger daarop vertrouwen en kan geen sanctie worden opgelegd. En als een burger concreet kan maken dat in andere, gelijke, gevallen ook niet wordt gehandhaafd, dan moet de overheid ook in dat geval van handhaving afzien. 


Deze beginselplicht tot handhaving geldt dus voor de last onder dwangsom of bestuursdwang. Dat zijn herstellende sancties: sancties die strekken tot het beëindigen of ongedaan maken van een overtreding. Als een bouwwerk is gebouwd zonder vergunning, kan een herstelsanctie worden opgelegd om de sloop daarvan af te dwingen. Daarmee eindigt dan de overtreding. 

Bestuurlijke boetes: bestraffend, dus geen beginselplicht

In een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State komt de vraag aan de orde of deze beginselplicht ook geldt bij bestraffende sancties, zoals een bestuurlijke boete. Die bestraffende sanctie is niet bedoeld om een situatie te herstellen, maar om de overtreder leed toe te brengen – te bestraffen.

Volgens de Afdeling geldt de beginselplicht in dat geval niet. Dat komt volgens de Afdeling door het verschil tussen herstel- en bestraffende sancties. Omdat een bestraffende sanctie, zoals een boete, niet is gericht op herstel van de illegale toestand, moet een andere afweging worden gemaakt dan bij een herstelsanctie. De overheid heeft hiermee een grotere mate van beleidsruimte om bestraffende sancties op te leggen en heeft dus meer ruimte om in bepaalde gevallen van handhaving af te zien.

Heeft u vragen over bestuursrecht of wilt u advies of bijstand met betrekking tot bestuurlijke boetes? Neem dan contact op met mr. R. Jongen, Sectie Vastgoed en Overheid.(rjongen@thuispartners.nl).

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring