Thuis Partners
 
NL / EN / DE

Bestuurder eist rectificatie van Raad van Commissarissen

Op 29 november 2017 heeft de rechtbank Amsterdam[1] geoordeeld dat het Gemeentelijke Vervoersbedrijf (“het GVB”) bij monde van de Raad van Commissarissen (“de RvC”) niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de voormalig algemeen directeur (“de Bestuurder“). De Bestuurder was van oordeel dat het GVB onrechtmatig jegens hem had gehandeld door in het bestuursverslag over 2012 een aantal conclusies van de RvC op te nemen. Deze conclusies betroffen onder andere het structureel niet voldoen aan good governance door de voormalige directie (waar de Bestuurder onderdeel van uitmaakte).

Onderzoeksrapport

De Bestuurder is van 1 januari 2002 tot 1 mei 2010 algemeen directeur van het GVB geweest. In het voorjaar van 2012 verschenen er in de Telegraaf berichten over mogelijke fraude en onregelmatigheden binnen het GVB. Naar aanleiding van deze berichten heeft de RvC opdracht gegeven aan een onderzoeksbureau (“het Onderzoeksbureau“) om de mogelijke misstanden te onderzoeken. Nadat het Onderzoeksbureau de eerste resultaten van het onderzoek had medegedeeld aan het GVB, is de Bestuurder in de gelegenheid gesteld om op deze onderzoeksresultaten te reageren. De reactie van de Bestuurder is bij het definitieve rapport van het Onderzoeksbureau gevoegd en aan het GVB verstrekt. Na ontvangst van het definitieve rapport heeft de RvC over de resultaten vergaderd en conclusies uit het rapport getrokken.

Conclusies

De RvC heeft onder meer de volgende conclusies uit het definitieve rapport getrokken:

  • er is geen fraude vastgesteld;
  • er zijn feiten vastgesteld van (het vermoeden van) het opzettelijk negeren van geldende wet- en regelgeving en/of het negeren van interne regels van het GVB;
  • er blijken meerdere malen doelredeneringen te zijn gevolgd in het kader van Europese, nationale en/of interne aanbestedingsregels; én
  • er is bij de voormalige directie (waaronder de Bestuurder) structureel sprake geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van good governance.

Deze conclusies van de RvC zijn in het bestuursverslag over 2012 opgenomen. Dit bestuursverslag is medio 2013 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd en toen eveneens op de website van het GVB gepubliceerd.

Procedure

In januari 2017 is de Bestuurder een procedure tegen het GVB gestart, omdat het GVB naar zijn oordeel met het trekken en publiceren van de conclusies onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

De Bestuurder heeft onder meer de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag gelegd:

  • het gepubliceerde bestuursverslag betreft een onjuiste en onvolledige publicatie van feitelijke aard;
  • de conclusies van de RvC worden niet gedragen door het rapport van het Onderzoeksbureau;
  • de Bestuurder heeft in zijn netwerk reputatieschade geleden, doordat de conclusies in het bestuursverslag de indruk geven dat de regels van good governance structureel zijn overschreden; én
  •  de RvC heeft onzorgvuldig gehandeld door de Bestuurder niet te raadplegen tijdens de vergadering waarin de RvC tot zijn conclusies is gekomen.

Het GVB heeft onder andere aangevoerd dat zij de wettelijke plicht heeft om een bestuursverslag op te stellen waarin een getrouw beeld wordt gegeven van de interne ontwikkelingen. Om een getrouw beeld te kunnen geven, was het van belang om de conclusies van de RvC in het bestuursverslag op te nemen. Daarnaast heeft het GVB gesteld dat de conclusies van de RvC een juiste weergave geven van hetgeen zich feitelijk binnen het GVB heeft afgespeeld.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke plicht van het GVB niet wegneemt dat een bestuursverslag onrechtmatig kan zijn jegens een persoon. Om te kunnen bepalen of een bestuursverslag onrechtmatig is, dient er een belangenafweging plaats te vinden. Het belang van het GVB om een getrouw bestuursverslag te publiceren dient te worden afgewogen tegen het belang van de Bestuurder op bescherming van zijn goede eer en goede naam. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de conclusies van de RvC feitelijk juist zijn en is niet aannemelijk geworden dat de conclusies niet (op deze wijze) getrokken hadden mogen worden. Bovendien wordt in het bestuursverslag enkel verwezen naar de voormalig directie en niet naar de naam van de Bestuurder. De rechtbank oordeelt voorts dat niet aannemelijk is dat het horen van de Bestuurder tot andere conclusies zou hebben geleid. Bovendien, ook al had de Bestuurder eerst moeten worden gehoord door de RvC, dan kan dit niet tot de conclusie leiden dat het GVB onrechtmatig heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dan ook dat het GVB niet onrechtmatig jegens de Bestuurder heeft gehandeld.

Noot

Coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn op grond van artikel 2:391 lid 1 BW verplicht om een bestuursverslag op te stellen en te deponeren. Dit bestuursverslag dient – evenals de jaarrekening – een getrouw beeld te geven van de feitelijke situatie. Uit bovengenoemde uitspraak blijkt dat het daarom zo kan zijn dat bepaalde bevindingen (van de RvC) in het bestuursverslag worden opgenomen. Ondanks dat deze bevindingen aan het getrouw beeld bijdragen, kunnen dergelijke bevindingen er kennelijk toe leiden dat er jegens een derde onrechtmatig wordt gehandeld. Of dat zo is, zal steeds afhangen van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.

Ongeacht het antwoord op de vraag of een bestuursverslag jegens een derde onrechtmatig is, kunnen rechtspersonen er in ieder geval voor zorgen dat hen achteraf geen onzorgvuldigheid kan worden verweten. Door de betreffende derde de mogelijkheid te geven om op bepaalde bevindingen te reageren voordat deze in het bestuursverslag worden opgenomen, kan deze achteraf niet stellen dat de rechtspersoon onzorgvuldig te werk is gegaan. In bovengenoemde uitspraak oordeelde de rechtbank dat het verzaken van de eventuele plicht om de Bestuurder eerst te horen, niet tot de conclusie kan leiden dat het GVB onrechtmatig heeft gehandeld. Zoals hierboven reeds genoemd zal dat echter steeds van de specifieke feiten en omstandigheden afhangen. Door een derde in de gelegenheid te stellen eerst te reageren, wordt daarom in ieder geval al één mogelijke grond voor onrechtmatig handelen voorkomen.

[1] Deze uitspraak is op 21 maart 2018 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en is te vinden onder ECLI:NL:RBAMS:2017:9011

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring