NL / EN / DE

“Toezichthouders en commissarissen doen er echter goed aan om zich te realiseren dat een partij artikel 843a Rv kan gebruiken als wapen om feiten en/of omstandigheden boven water te krijgen.”

De exhibitieplicht voor commissarissen

In het strafrecht hoeft een verdachte niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. In het civiel recht kan dat anders zijn. Als een eiser voor de beoordeling van zijn vordering bescheiden van de wederpartij nodig heeft, kan deze in bepaalde gevallen worden verplicht om deze bescheiden te overleggen. Dit wordt de exhibitieplicht genoemd. In een uitspraak die vorige week op rechtspraak.nl is gepubliceerd, moest het gerechtshof Den Haag onder meer oordelen of de leden van een Raad van Toezicht bepaalde bescheiden moesten overleggen.

Feiten

Op 12 november 2014 werd de Stichting World Expo Milaan 2015 (“de Stichting”) opgericht. Het doel van de Stichting was het faciliteren van de Nederlandse deelname aan de World Expo 2015 in Milaan. Deelname van Nederland aan deze World Expo werd wenselijk geacht, omdat Nederland zich kandidaat had gesteld voor het organiseren van de World Expo in 2025.

In januari 2015 heeft de Stichting een overeenkomst van opdracht met eiser gesloten. De opdracht bestond uit het realiseren van een Nederlands paviljoen voor op de World Expo in Milaan. Het totale bedrag voor de opdracht bedroeg € 2.570.048,70 exclusief btw. Op het moment van het ondertekenen van de overeenkomst was de Stichting druk bezig met het benaderen van sponsoren. De Stichting beschikte op dat moment nog niet over de financiële middelen om het bedrag voor de opdracht volledig te kunnen voldoen. In februari 2015 zou daarom worden gekeken of de opdracht zou kunnen worden voortgezet. De Raad van Toezicht heeft in februari 2015 besloten dat de opdracht kon worden voortgezet.

Inclusief meerwerk heeft eiser in juni 2015 een bedrag van € 3.731.075,09 inclusief btw bij de Stichting in rekening gebracht. De Stichting heeft toen een bedrag van € 925.000,- aan eiser voldaan. Het resterende gedeelte kon volgens de Stichting nog niet worden betaald, omdat door sponsoren toegezegde bedragen nog niet aan de Stichting waren voldaan.

Aansprakelijkstelling leden Raad van Toezicht

Aangezien betaling aan eiser uitbleef, heeft eiser de bestuurder en de leden van de Raad van Toezicht van de Stichting gesommeerd om tot betaling over te gaan. Vervolgens heeft eiser de bestuurder en de leden van de Raad van Toezicht aansprakelijk gesteld. Volgens eiser is de bestuurder een verplichting met haar aangegaan, terwijl hij wist of hoorde te begrijpen dat eiser als gevolg daarvan schade zou lijden. Eiser stelt namelijk dat van begin af aan duidelijk was dat de Stichting de financiering niet rond zou krijgen. De leden van de Raad van Toezicht hebben volgens eiser hun toezichthoudende taak onbehoorlijk vervuld. Zij hebben naar de mening van eiser (i) de voorbereiding en de voortgang van de opdracht niet nauwlettend gevolgd, (ii) geen vragen gesteld, (iii) geen informatie van deskundige derden ingewonnen, (iiii) geen sturing gegeven aan het handelen van de bestuurder en (iv) de bestuurder niet verplicht om de sponsorinkomsten pas in de begroting op te nemen als de sponsorovereenkomst ondertekend waren. Daar kunnen de leden van de Raad van Toezicht volgens eiser een persoonlijk ernstig verwijt van worden gemaakt.

Vonnis rechtbank Rotterdam

Bij vonnis van 24 mei 2017 heeft de rechtbank Rotterdam de vorderingen van eiser afgewezen. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van de leden van de Raad van Toezicht heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat de leden een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De omstandigheid dat de leden van de Raad van Toezicht lange tijd uitgingen van de betrouwbaarheid van de begroting, maakt niet dat zij hun taak persoonlijk ernstig verwijtbaar onbehoorlijk hebben vervuld. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de leden van de Raad van Toezicht adequaat hebben gehandeld toen duidelijk werd dat de begroting een onjuist beeld gaf.

Vordering ex artikel 843a Rv

Eiser laat het er niet bij zitten en gaat in hoger beroep. Daarbij stelt eiser een vordering ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv“) in. Op een dergelijke vordering moet worden beslist, voordat men aan de behandeling van de hoofdzaak toekomt. In artikel 843a Rv is bepaald dat iemand die een rechtmatig belang heeft, inzage of afschrift kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden onder zich heeft. Eiser vorderde (onder meer) een afschrift van, dan wel inzage in:

  • een door een lid van de Raad van Toezicht uitgevoerd onderzoek, alsmede haar bevindingen, en
  • de volledige handgeschreven notulen/aantekeningen van een ander lid van de Raad van Toezicht.

Deze onderdelen van de vordering van eiser worden afgewezen. Volgens het gerechtshof heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een rechtmatig belang bij een afschrift van, dan wel inzage in deze bescheiden heeft. Eiser zal haar procedure in hoger beroep inzake de vermeende aansprakelijkheid van de leden van de Raad van Toezicht daarom moeten voortzetten zonder een afschrift van, dan wel inzage in voornoemde bescheiden.

Noot

Uit deze uitspraak blijkt dat een vordering ex artikel 843a Rv niet zomaar wordt toegewezen. Het Nederlandse recht kent geen algemene exhibitieplicht. Degene die een dergelijke vordering instelt, dient aan de navolgende drie voorwaarden te voldoen.

  • De partij moet een rechtmatig belang hebben.
    De partij moet kunnen aantonen dat hij een direct en concreet belang bij de bescheiden heeft en dat dit belang relevant is voor zijn rechtspositie.
  • Het moet om bepaalde bescheiden gaan.
    Het is niet toegestaan om bijvoorbeeld alle e-mailcorrespondentie over de jaren 2016 en 2017 te verzoeken. De partij moet concreet kunnen aantonen welke bepaalde bescheiden hij wenst in te zien, dan wel daar een afschrift van wenst te krijgen.
  • Het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbestrekking waarin de partij partij is.
    Het dient om bescheiden te gaan die betrekking hebben op een rechtsbetrekking (zoals bijvoorbeeld een overeenkomst) waarin de partij partij is.

Degene die bescheiden onder zich heeft waar inzage/afschrift van wordt verzocht, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daar gewichtige redenen voor zijn of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden gewaarborgd is. Van gewichtige redenen is bijvoorbeeld sprake als de bescheiden medische gegevens bevatten. Of daadwerkelijk niet aan de vordering hoeft te worden voldaan, zal door de rechter worden bepaald aan de hand van een belangenafweging.

De vraag of de vordering van een eiser kan worden toegewezen, hangt aldus af van de vraag of aan de drie voorwaarden wordt voldaan en, zo ja, of de ander bijvoorbeeld een beroep op gewichtige redenen kan doen. Toezichthouders en commissarissen doen er echter goed aan om zich te realiseren dat een partij artikel 843a Rv kan gebruiken als wapen om feiten en/of omstandigheden boven water te krijgen.