Thuis Partners
 
NL / EN / DE

“Die € 28,- kan me (niet) gestolen worden”

Inleiding

Onderstaande uitspraak heeft de belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op Koningsdag gedaan en is toevalligerwijs op de voormalige Koninginnedag gepubliceerd.[1] 

De materiële inhoud van de zaak gaat over een verleende teruggave van vergoede belastingrente in het kader van de heffing van belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Bij beschikking werd eind 2013 aan belanghebbende belastingrente vergoed van welgeteld € 4,-. Op 27 november 2013 maakte belanghebbende bezwaar. De afwijzende beslissing op bezwaar dateert van 2 augustus 2018. 

Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft de inspecteur gelast tot vergoeding van belastingrente over een bepaalde periode maar heeft, gelet op het financiële belang, geen vergoeding voor immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.[2] De rechtbank liet het enkel bij een constatering dat de redelijke termijn was overschreden. 

De fiscale immateriële schadevergoeding

Indien een procedure te lang duurt, kan dit voor de belastingplichtige tot spanning en frustratie leiden. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden beslist. Dit beginsel ligt besloten in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Indien u als belastingplichtige te lang moet wachten op een uitspraak van de Belastingdienst / inspecteur of de belastingrechter, kunt u aanspraak maken op (immateriële) schadevergoeding. De Hoge Raad heeft in standaardarresten uit 2005 en 2011 diverse basisregels en uitgangspunten opgesteld met betrekking tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.[3] 

Beknopt weergegeven geldt dat een zaak die de rechtbank behandelt een termijn kent van twee jaar (inclusief het bezwaar). De termijn begint te lopen als het bezwaarschrift is ingediend. Is sprake van termijnoverschrijding, dan bedraagt de vergoeding € 500,- per half jaar overschrijding. 

Geschil in hoger beroep

In hoger beroep werden door de belanghebbende enkele geschilpunten aangedragen, waarvan de hoogte van de vergoeding van de belastingrente en de beslissing om geen immateriële schadevergoeding toe te kennen centraal stonden. Belanghebbende vorderde namelijk een rentevergoeding van € 32,- (inclusief de € 4,- al toegekende belastingrentevergoeding) en immateriële schadevergoeding. 

Met betrekking tot het geschilpunt over de rentebeschikking was het hof kort en bondig met de rechtbank eens: de door de rechtbank aan de inspecteur gelaste rentevergoeding was juist. 

Met betrekking tot het geschilpunt over de immateriële schadevergoeding was het hof het echter oneens met de rechtbank. Het hof hanteert de standaardregels van de Hoge Raad en concludeert dat sprake was van een termijnoverschrijding van ruim drie jaar en vier maanden. Belanghebbende komt uiteindelijk in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade van € 3.500,- wegens termijnoverschrijding. 

De relevantie van deze uitspraak van het hof is gelegen in het financiële belang in relatie met de potentiele schadevergoeding. De inspecteur stelde dat sprake was van een financieel belang van € 7,- dat onder het drempelbedrag van € 15,- ligt, de zogenoemde teruggavegrens.[4] Hierdoor zou geen immateriële schadevergoeding toegekend moeten worden. Belanghebbende meende echter dat zijn financieel belang € 28,- bedroeg. Het hof oordeelt dat het financiële belang van belanghebbende als uitgangspunt geldt om immateriële schadevergoeding al dan niet toe te kennen.  

Kortom, een uitspraak met een koninklijke vergoeding voor belastingplichtigen die menen een vordering te hebben op de Belastingdienst en die te lang op een definitieve beslissing moeten wachten. Dat de door de rechter vastgestelde vordering niet voor vergoeding in aanmerking komt, is voor het bepalen van de immateriële schadevergoeding niet relevant.

Deze bijdrage werd geschreven door mr. Thomas Houben (te bereiken via e-mail thouben@thuispartners.nl en per telefoon: 045-5719005).


[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4041.

[2] Zie hiervoor de uitspraak van de Hoge Raad van 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361.

[3] HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 en HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046.

[4] Zie ook art. 9.4 lid 5 Wet inkomstenbelasting 2001.

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring