NL / EN / DE

Elliott vs Akzo Nobel: de Raad van Commissarissen als procespartij

In de inmiddels welbekende soap rondom de pogingen van Elliott cs tot overname van Akzo Nobel N.V. heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 10 augustus 2017 beslist dat aan Elliott cs geen machtiging wordt verleend het ontslag van Burgmans als lid en voorzitter van de Raad van Commissarissen te agenderen op een bijeen te roepen bijzondere algemene vergadering. Over deze zaak is al veel geschreven, maar nog niet over het onderwerp procespartij.

Raad van Commissarissen als procespartij

Bijzonder aan deze zaak is dat de Raad van Commissarissen als orgaan van Akzo Nobel N.V. als procespartij is opgetreden. Dat is bijzonder, omdat de bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden in beginsel alleen toekomt aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen; zie Hoge Raad 25 november 1983, NJ 1984/297 r.o. 3.4. Organen van rechtspersonen (zoals de algemene vergadering, het bestuur en de Raad van Commissarissen) zijn in principe niet bevoegd om zelfstandig als procespartij op te treden. Dat is logisch, omdat de procedure namens de rechtspersoon wordt gevoerd door het orgaan dat bevoegd is de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen. Zo ook hier, nu de wet expliciet bepaalt dat op een verzoek tot machtiging tot bijeenroeping van een algemene vergadering, de naamloze vennootschap wordt gehoord en opgeroepen (en dus niet het bestuur en/of de Raad van Commissarissen van de naamloze vennootschap); zie artikel 2:110 en 111 BW..

Hoofdregel en uitzonderingen

De hoofdregel dat uitsluitend natuurlijke personen en rechtspersonen bevoegd zijn om als procespartij op te treden, laat beperkte ruimte voor uitzonderingen. Zo bestaan er enkele wettelijke uitzonderingen, zoals de bevoegdheid van de ondernemingsraad om beroep in te stellen tegen bepaalde besluiten van de ondernemer; zie artikel 26 WOR. Van een wettelijke uitzondering is in de zaak Elliott cs vs. Akzo Nobel cs echter geen sprake. En dan komt men op de buitenwettelijke uitzonderingen waarmee volgens de Hoge Raad terughoudend moet worden omgesprongen. Buitenwettelijke uitzonderingsgronden voor een (medezeggenschaps)orgaan van een rechtspersoon kunnen doorgaans slechts worden aangenomen indien het afsnijden van de weg naar de burgerlijke rechter een niet aanvaardbaar gebrek aan rechtsbescherming zou betekenen; zie Hoge Raad 3 december 1993, NJ 1994/375. Van het afsnijden van de weg naar de burgerlijke rechter is hier evident geen sprake, want het bestuur en de Raad van Commissarissen had het verweer namens de procespartij Akzo Nobel N.V. kunnen laten horen.

Beslissing van de voorzieningenrechter

Waarom de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de Raad van Commissarissen dan toch als procespartij in deze zaak heeft aangemerkt, is onduidelijk. Hieraan wijdt de voorzieningenrechter namelijk geen enkele overweging. De redenering voor de procesbevoegdheid van de Raad van Commissarissen in deze zaak zal waarschijnlijk ook niet meer komen, omdat tegen deze uitspraak geen beroep open staat (met uitzondering van cassatie in het belang der wet).

de volledige uitspraak

Nico van der Peet