NL / EN / DE

Gedeeltelijke transitievergoeding na vervaltermijn toegewezen

De kantonrechter Roermond wees op 11 april jl. een voor de arbeidsrechtpraktijk belangrijke uitspraak. In deze zaak, waarin Thuis Partners advocaten optrad namens de werknemer, heeft de kantonrechter geoordeeld, dat de werknemer aanspraak kan maken op een gedeeltelijke transitievergoeding, ondanks dat de vervaltermijn van 3 maanden ruim (!) is verstreken.

Op 14 september 2018 wees de Hoge Raad de “Kolom-beschikking”, waar wij al eerder over schreven. Op grond van de Kolom-beschikking, kan een langdurig zieke werknemer, bij een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur vanwege deze ziekte, aanspraak maken op een gedeeltelijke transitievergoeding.

De Kolom-beschikking riep vervolgens de vraag op, hoe er dan moet worden omgegaan met de vervaltermijn van 3 maanden, waarbinnen een werknemer aanspraak moet maken op een transitievergoeding. In de zaak die speelde bij de kantonrechter Roermond, was de werknemer reeds in april 2017 (en dus ruim voordat de Hoge Raad de Kolom-beschikking wees) minder gaan werken vanwege arbeidsongeschiktheid; de vervaltermijn was dus al geruime tijd verstreken. De kantonrechter oordeelt echter, dat het onder deze omstandigheden niet redelijk is om de werknemer de vervaltermijn tegen te werpen en hem op die grond de gedeeltelijke transitievergoeding te onthouden. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende:

  1. Een werknemer wiens arbeidsovereenkomst in de periode voorafgaand aan de Kolom-beschikking gedeeltelijk is beëindigd, wist niet - of kon niet weten - dat hij niettemin aanspraak kon maken op een transitievergoeding, althans dat is verdedigbaar;
  2. Partijen hebben met de mogelijkheid van een recht op een gedeeltelijke transitievergoeding in ieder geval beiden geen rekening gehouden;
  3. De wetgever heeft met deze situatie geen rekening gehouden en de situatie wijkt af van de parlementaire geschiedenis;
  4. Het niet betalen van een gedeeltelijke transitievergoeding zou de werkgever in een betere positie plaatsen dan de werknemer, terwijl die werknemer (I) zich wel geconfronteerd ziet met (enige) inkomensachteruitgang en daarin niet wordt gecompenseerd en (II) bij uitdiensttreding later de helft van zijn aanspraken kwijt is;
  5. Met ingang van 1 april 2020 wordt de werkgever in geval van betaling van de transitievergoeding met terugwerkende kracht (grotendeels) gecompenseerd door het UWV op grond van de Wet Compensatie Transitievergoeding.

Conclusie: de werkgever wordt veroordeeld om een bedrag van € 38.500,00 bruto aan gedeeltelijke transitievergoeding (alsnog) aan de werknemer te betalen.

Dit is een bijdrage van mr. Mariëlle Stroes (mstroes@thuispartners.nl)