Britta-Zeschmann-1
 
NL / EN / DE

Stand van zaken Herijking Faillissementsrecht - deel 1: Pijler I: fraudebestrijding

Inleiding

Eind 2012 heeft de voormalige Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten het wetgevingsprogramma "Herijking faillissementsrecht" aangekondigd. Dit programma heeft tot doel verbeterpunten in het faillissementsrecht te verkennen en "praktische oplossingen voor concrete problemen" te bieden .

De Minister beoogt met dit programma o.a.:

  • Het invoeren van een civielrechtelijke bestuursverbod;
  • Verhogen van de strafrechtelijke sancties op het gebied van faillissementsfraude;
  • Een grondslag in de wet te bieden voor een Nederlandse variant van de zogenaamde pre-pack;
  • De aanstelling van een stille bewindvoerder mogelijk te maken en een akkoord buiten het faillissement te faciliteren;
  • De continuïteit van ondernemingen na faillissement te bevorderen;
  • De positie van de curator te versterken en
  • De faillissementsprocedure te moderniseren.

Het wetgevingsprogramma rust op drie pijlers, te weten a) fraudebestrijding, b) versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven en c) modernisering van de faillissementsprocedure. Per pijler zijn een aantal afzonderlijke wetsvoorstellen ingediend.

Het wordt nu, vier jaar na de aankondiging, eens tijd om de balans op te maken. Hoe staat het ervoor met de herijking van het Nederlandse faillissementsrecht en wat is de actuele status van de verschillende wetsvoorstellen?

Gezien de omvang van het wetgevingsprogramma, zal ik dit onderwerp als drieluik behandelen en in iedere nieuwsbrief één pijler en de actuele voortgang bespreken.

In deze editie van onze nieuwsbrief ga ik nader in op pijler I:de aanpak van faillissementsfraude aangezien op dat gebied reeds per 1 juli a.s. de eerste wijzigingen in werking treden. In onze volgende nieuwsbrief zal ik onder meer ingaan op de stille bewindvoering, de pre-pack en het dwangakkoord, allen onderdeel van pijler II - het bevorderen van reorganisatiemogeljkheden. In het derde en laatste deel van dit drieluik zal ik de wetsvoorstellen omtrent de modernisering van de faillissementsprocedure bespreken.

Pijler I - fraudebestrijding

A Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Met dit wet wordt beoogd een bestuurder die zich schuldig maakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement of een bestuurder die faillissementsfraude pleegt, aan een flinke sanctie te onderwerpen. Dit zal worden gedaan in de vorm van een civielrechtelijk bestuursverbod. Een dergelijk verbod kan voor maximaal vijf jaren worden opgelegd in het geval dat de bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude binnen drie jaren voorafgaand aan het faillissement. Wanneer een bestuurder een bestuursverbod wordt opgelegd, mag hij ook bij geen andere organisatie een bestuursfunctie of commissariaat uitoefenen gedurende de periode dat het verbod van kracht is. Zowel de curator als het Openbaar Ministerie kunnen een verzoek doen tot het opleggen van een bestuursverbod. De rechter kan vervolgens zelf bepalen of hij een dergelijk verbod al dan niet oplegt. Hangende het verzoek kan de civiele rechter besluiten de bestuurder te schorsen.

Voor bestuurders is het per 1 juli 2016 oppassen geblazen: naast bestuurdersaansprakelijkheid bestaat dan aldus ook het risico van een dreigend bestuursverbod in geval van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Het wetsvoorstel is op 5 april 2016 door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan en op 25 april 2016 is de wet in het Staatsblad gepubliceerd. De datum van inwerkingtreding is 1 juli 2016.

B Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

Het faillissement van een groot bedrijf heeft vaak tot gevolg dat een groot aantal werknemers werkloos wordt. Vanzelfsprekend heeft dit een grote impact op de privélevens van deze werknemers. In dat kader is het des te kwalijker wanneer een faillissement wordt veroorzaakt als gevolg van faillissementsfraude. Teneinde de schade zo veel mogelijk te beperken, acht de wetgever het van belang dat faillissementsfraude ook strafrechtelijk streng wordt aangepakt.

In dat kader worden de bestaande strafrechtelijke bepalingen inzake faillissementsfraude gedeeltelijk herzien, duidelijker gestructureerd en de strafmaat per delict als volgt verhoogd:

  • Schending van de administratieplicht: maximaal vier jaar gevangenisstraf voor de (feitelijke) bestuurder van de rechtspersoon;
  • Het weigeren voor de curator te verschijnen of geen juiste inlichtingen verschaffen: maximaal 1 jaar gevangenisstraf;
  • Het doen van buitensporige uitgaven vóór faillissement, indien hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld worden: maximaal twee jaar gevangenisstraf;
  • Voor of tijdens faillissement goederen aan de boedel onttrekken danwel een schuldeiser wederrechtelijk bevoordelen: maximaal 6 jaar gevangenisstraf.

Het wetsvoorstel is 5 april 2016 door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan en op 25 april 2016 is de wet in het Staatsblad gepubliceerd. De datum van inwerkingtreding is 1 juli 2016.

C Wet versterking positie curator

Dit civielrechtelijke wetsvoorstel is er gekomen om de curator, die een van de belangrijkste actoren in een faillissement is, meer bevoegdheden te geven, zodat hij zijn taak zo goed mogelijk kan uitvoeren. Indien de curator afwijkingen in de boekhouding of vermissing van goederen of vermogen uit de boedel ontdekt, moet hij actie (kunnen) ondernemen en volgens dit wetsvoorstel de fraude melden dan wel aangifte doen. Kern van dit wetsvoorstel is dan ook het vastleggen van "de fraudesignalerende rol van de curator". De curator kan deze taak niet uitvoeren zonder medewerking van de bestuurder. Om deze reden worden ook de informatie- en medewerkingsverplichtingen van de bestuurder in dit wetsvoorstel uitgebreid en aangescherpt. Op de failliet rust dan onder andere de verplichting om de curator zo goed en volledig mogelijk te voorzien van inlichtingen en beschikking te geven over alle zaken die tijdens het faillissement van belang kunnen zijn. Deze verplichting is niet alleen bedoeld voor de gevallen waarin de curator inlichtingen vraagt, maar moet de bestuurder ook stimuleren de informatie uit eigen beweging te verschaffen. De bestaande regelgeving wordt in ieder geval aangescherpt;details volgen nog.

Het wetsvoorstel is ingediend op 10 juli 2015 en is op dit moment nog steeds in behandeling bij de Tweede Kamer.

Conclusie

Concluderend kan gezegd worden dat ten aanzien van de eerste pijler grote sprongen zijn gemaakt. Zowel de Wet civielrechtelijk bestuursverbod als de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude) treden reeds per 1 juli a.s. in werking. Twee van de drie wetsvoorstellen van de eerste pijler zijn dan omgezet.

In onze volgende nieuwsbrief informeer ik u over de inhoud en actuele status van de wetsvoorstellen die in het kader van pijler II van het herijkingsprogramma op tafel liggen. Deze hebben alles te maken met het bevorderen van de reorganisatiemogelijkheden. Onder andere de pre-pack als doorstartmethode en het dwangakkoord zullen worden besproken.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Britta Zeschmann (sectie ondernemings- en insolventierecht; bzeschmann@thuispartners.nl).

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring