Robert-Janssen-2
 
NL / EN / DE

Het beroepsgeheim na overlijden van de patiënt

Het beroepsgeheim van artsen en zorgprofessionals is een constant onderwerp van aandacht. De grenzen van het beroepsgeheim zijn over het algemeen zeer duidelijk, maar grensgevallen leiden nog wel eens tot een schending van het beroepsgeheim. Daarnaast is het soms lastig te beoordelen hoe moet worden gehandeld na het overlijden van een patiënt. Mogen de medische gegevens van de overledene zomaar worden ingezien door diens familie? In deze bijdrage wordt uiteengezet hoe zorgverleners om moeten gaan met het beroepsgeheim na het overlijden van de patiënt. Ter illustratie wordt een recente uitspraak van het Centraal Tuchtcollege besproken, waarin een zorgverlener het beroepsgeheim heeft geschonden. 

Het beroepsgeheim: algemeen

Een arts (of andere zorgverlener) moet zwijgen over alles wat hij in zijn uitoefening als zorgverlener over een patiënt te weten komt. Het kan dan gaan om medische gegevens, maar ook over bijvoorbeeld thuissituaties of criminele feiten die de patiënt heeft gepleegd. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan de arts besluiten om het beroepsgeheim te doorbreken. Enkele bekende doorbrekingsgronden zijn: (veronderstelde) toestemming van de patiënt, wettelijke grondslagen (in de vorm van een meldplicht of meldrecht), conflict van plichten of een ander zwaarwegend belang. Indien sprake is van één van de vermelde gronden, mag slechts de absoluut noodzakelijke informatie worden verstrekt en niet meer dan dat. 

Na het overlijden

Na het overlijden van een patiënt blijft het beroepsgeheim van kracht. Dat wil zeggen: er moet nog steeds één van de voornoemde gronden aanwezig zijn om het beroepsgeheim (rechtsgeldig) te kunnen doorbreken. Een patiënt kan zelf geen toestemming meer geven tot het delen van informatie met bijvoorbeeld familieleden. Vaak wordt er dan gewerkt met de ‘veronderstelde toestemming;’. In de WGBO is vastgelegd dat nabestaanden een inzagerecht hebben in de medische gegevens van de patiënt. Het is daarbij wel van belang om te bezien of de patiënt het daarmee eens zou zijn geweest als hij nog leefde. Als de patiënt nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij niet wil dat zijn familie inzage krijgt, mag er geen inzage worden gegeven. 

Casus: Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 4 juni 2021, ECLI:NL:TGZCTG:2021:122

Patiënte is in de laatste maanden van haar leven verzorgd door verpleegkundige F. in het verzorgingstehuis waar zij verbleef. Patiënte komt te overlijden en haar kinderen, twee zoons en twee dochters, nodigen verpleegkundige F. uit op de begrafenis en de aansluitende condoleancebijeenkomst. Klagers, de twee zoons van de overleden patiënte, stellen dat F. (a) het beroepsgeheim heeft geschonden en (b) zich onnodig grievend jegens klagers heeft uitgelaten. Klagers stellen namelijk dat F. tijdens de condoleancebijeenkomst de confrontatie met klagers is aangegaan, en hen onder andere de volgende verwijten heeft gemaakt:

je hebt je moeder vermoord’, ‘[naam patiënte], waar ik zielsveel van hield, is door jouw toedoen daar terechtgekomen en overleden’, ‘jij moet hier je hele leven verder last van hebben, dat is wat ik wil’.

In eerste aanleg overweegt het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven dat het college betwijfelt of klagers met het indienen van de klacht (a) over de schending van het beroepsgeheim de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigen. Gelet daarop overweegt het college dat klagers geen afgeleid klachtrecht toekomt en verklaart klager niet ontvankelijk. Ten aanzien van klacht (b) over de grievende uitlatingen, overweegt het college dat niet is vast komen te staan welke feitelijke gang van zaken meer aannemelijk is gemaakt (die door klagers is geschetst of die door F. is geschetst), zodat een tuchtrechtelijke veroordeling uitblijft.

Klagers laten het hier echter niet bij en stappen naar het Centraal Tuchtcollege om hun klachten in de volle omvang opnieuw te laten toetsen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt het college dat klagers met hun klacht wel degelijk de wil van patiënte vertegenwoordigen. Het feit dat enkele kinderen van de overleden patiënte niet betrokken zijn bij deze procedure maakt dat niet anders. F. heeft ter zitting medegedeeld dat zij met klagers afzonderlijk heeft gesproken op de condoleancebijeenkomst. Daar heeft zij aan hen medegedeeld dat patiënte vaak erg verdrietig was ’s nachts omdat zij plotseling moest verhuizen naar het verzorgingstehuis. Daarnaast vertelde F. dat een aantal dierbaren van de overleden patiënte niet kwamen opdagen door de gedragingen van klagers en dat zij hoopte dat klagers dit nooit zelf mee hoefde te maken. Het college overweegt dat F. deze informatie te weten is gekomen in de uitoefening van haar beroep als verpleegkundige, zodat dit onder haar beroepsgeheim valt. Dit beroepsgeheim geldt onverkort na het overlijden van de patiënt. Door deze informatie vrij te geven aan klagers, heeft F. haar beroepsgeheim geschonden. Ten aanzien van klacht (b) inzake de grievende uitlatingen overweegt het college dat F. zich met onvoldoende respect heeft opgesteld jegens de naasten van patiënte, door op de condoleancebijeenkomst dergelijke informatie te delen. 

Conclusie

Uit voorgaande informatie en de besproken uitspraak blijkt dat het beroepsgeheim een brede toepassing kent. Ook het delen van niet-medische informatie die de zorgverlener te weten komt tijdens de uitoefening van zijn functie, dient strikt geheim te blijven, ook na de dood van de patiënt. Slechts wanneer sprake is van een doorbrekingsgrond, mag informatie worden prijsgegeven.  

Heeft u vragen over (doorbreking van) het beroepsgeheim? Neem dan contact op met een van onze gezondheidsrechtspecialisten.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Robert Janssen (rjanssen@thuispartners.nl).

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring