NL / EN

Het opzeggen van een zorgovereenkomst: aanwezigheid gewichtige reden voldoende?

In de algemene voorwaarden van zorginstellingen is dikwijls (en mogelijk ten overvloede) opgenomen dat de wettelijke bepalingen uit de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (afdeling 7.7.5. van het Burgerlijk Wetboek, ‘WGBO’) ten aanzien van de overeengekomen zorg/dienstverlening van overeenkomstige toepassing zijn. Dit brengt mee dat een zorgovereenkomst in beginsel (slechts) door de zorginstelling kan worden opgezegd indien er gewichtige redenen aanwezig zijn (zie ook art. 7:460 BW). Met de aanwezigheid van een gewichtige reden is een zorginstelling er echter nog niet, zo bleek uit een recent arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Robert Janssen vertelt u er meer over. 

Een (ernstig) verstoorde verhouding tussen de zorginstelling en haar cliënt

Stichting Fokus (hierna: ‘de Zorginstelling’) is een landelijk opererende zorginstelling die op verschillende locaties zorg aanbiedt voor geïndiceerde cliënten. Een van die cliënten is X. X is ingevolge een hoge dwarslaesie ernstig gehandicapt en is aangewezen op intensieve zorg voor algemene dagelijkse levensverrichtingen, onder meer bij het opstaan en naar bed gaan, aan- en uitkleden, wassen en toiletgang. Deze zorg wordt, hoewel geen sprake is van intramurale zorg, gefinancierd op basis van een op de Wet Langdurige Zorg (hierna: WLZ) gebaseerde subsidieregeling. 

Tussen X en de Zorginstelling bestaat een lange historie van meldingen van Ongewenst Gedrag enerzijds en klachten anderzijds. Diverse medewerkers van de Zorginstelling stellen onheus door X te worden bejegend. In het oog springt vooral de (nog niet bewezen) melding van een medewerkster die stelt tegen haar wil vastgehouden te zijn binnen de woning van X. Daarvan is door desbetreffende medewerkster ook aangifte gedaan. Resumerend: de samenwerkingsrelatie wordt als dusdanig moeizaam gezien dat de Zorginstelling eind 2017 zich genoodzaakt heeft gezien de zorgovereenkomst op te zeggen. X komt hiertegen in rechte op. 

De Zorginstelling is niet zorgvuldig geweest

In kort geding vordert X de intrekking van de opzegging en de continuering van de zorgverlening na 1 januari 2018. De voorzieningenrechter oordeelt vervolgens:

  • dat voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat er gewichtige redenen zijn om de zorgovereenkomst op te zeggen;
  • maar dat de Zorginstelling niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van haar in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

De Zorginstelling wordt daarom veroordeeld de zorgovereenkomst voort te zetten tot 1 april 2018. 

Het Hof oordeelt echter anders en wijst de vordering van X strekkende tot onverkorte continuering van de zorgverlening na 1 januari 2018 toe. Het Hof geeft daartoe allereerst aan dat het antwoord op de vraag wat een gewichtige reden voor een opzegging is, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Vervolgens brengt het Hof tot uitdrukking dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan het bestaan van een gewichtige reden voor opzegging:

  • wanneer een zorgontvanger in hoge mate afhankelijk is van de geboden zorg; en
  • een zorgontvanger deze zorg niet van een ander kan krijgen;
  • er sprake is van een langdurige relatie tussen de zorgaanbieder en de zorgontvanger. 

Het Hof maakt kenbaar dat deze hoge eisen niet alleen betrekking op de inhoud van de gewichtige reden, maar ook op de procedure die is gevolgd voordat op grond van een gewichtige reden is opgezegd. Het Hof overweegt: 

“Indien de gewichtige reden (mede) gelegen is in het gedrag van de zorgontvanger, mag van de zorgverlener in beginsel verwacht worden dat hij alvorens tot opzegging over te gaan de zorgontvanger concreet gewezen heeft op diens ongewenste gedrag, op wijziging van dat gedrag heeft aangedrongen, de zorgontvanger ook de gelegenheid heeft geboden diens gedrag te wijzigen en ook heeft aangegeven dat indien dat niet gebeurt de overeenkomst zal worden opgezegd.”

Het Hof stelt vast dat X in hoge mate afhankelijk was van de door de Zorginstelling aangeboden zorg. Bovendien bestaat tussen X en de Zorginstelling een decennialange zorgrelatie. Daarom is in casu volgens het Hof pas sprake van een gewichtige reden indien een situatie is ontstaan waarin het van de Zorginstelling in redelijkheid niet kan worden gevergd de overeenkomst te continueren. Storend gedrag is in dat kader onvoldoende. In een dergelijke situatie mag volgens het Hof van een zorginstelling in beginsel worden verwacht, alvorens deze tot opzegging van de zorgovereenkomst overgaat, dat zij:

  1. alles doet wat redelijkerwijs kan worden gevergd om een zorgontvanger duidelijk te maken welk gedrag ongewenst of onoorbaar is;
  2. aandringt bij de zorgontvanger op een gedragsverandering;
  3. het gedrag van de zorgontvanger vervolgens ook met de zorgontvanger evalueert.

Een tweede (en laatste) kans bieden aan een zich misdragende cliënt is dus het uitgangspunt. Zulks wordt echter anders bij zeer ernstig wangedrag, waarvan volgens het Hof voor ieder duidelijk is dat het volstrekt niet door de beugel kan. Genoemd wordt in dat kader ‘evidente fysieke of seksuele intimidatie’. 

Het Hof stelt vast dat de zorginstelling, hoewel een verslag hiervan ontbrak, in maart 2017 een indringend gesprek met X heeft gehad over alle incidenten. De Zorginstelling heeft echter onvoldoende aannemelijk weten te maken dat X zich ook na dit gesprek van maart 2017 (lees: de tweede kans) nog ernstig misdroeg, althans dat er geen verbetering in het gedrag was opgetreden. Er was namelijk niets door de Zorginstelling omtrent eventuele incidenten in de periode maart 2017 e.v. vastgelegd. Het Hof wijst daarom de vordering om de Zorginstelling te veroordelen tot voortzetting van de dienstverlening toe. Een zure beslissing voor de Zorginstelling en haar medewerkers. 

Les voor de praktijk

Les voor de praktijk is dat een zorginstelling die voornemens is een zorgovereenkomst op te zeggen uiterst zorgvuldig te werk dient te gaan. Op de zorginstelling zal de bewijslast rusten voor de stelling dat er gewichtige redenen zijn die de opzegging rechtvaardigen. Echter ook indien de Zorginstelling erin slaagt de aanwezigheid van gewichtige redenen te bewijzen, is het onzeker of de opzegging toelaatbaar wordt geacht. Blijkens het in dit stuk besproken arrest, wordt ook gekeken naar de weg die is afgelegd richting de opzegging. Aan deze door de zorginstelling af te leggen weg zullen in de regel hoge eisen worden gesteld. In dat kader is het uitgangspunt dat de (zich misdragende) cliënt:

  1. op het ongewenste gedrag wordt aangesproken door de zorginstelling;
  2. een termijn krijgt om het ongewenste gedrag te verbeteren/wijzigen; en
  3. er door de zorginstelling met klem op wordt gewezen dat indien verbetering van het onder ad. 1. genoemde gedrag binnen de onder ad. 2. genoemde termijn uitblijft, de zorgovereenkomst wordt opgezegd (ergo: dat dit de laatste kans voor de cliënt is om zijn/haar gedrag te verbeteren);

Dit alles dient bovendien zorgvuldig schriftelijk te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in gespreksverslagen.  

Deze bijdrage werd geschreven door: mr. Robert Janssen, rjanssen@thuispartners.nl