Rick-Jongen-1
 
NL / EN / DE

Het vertrouwensbeginsel en schadevergoeding

Een burger moet erop kunnen vertrouwen dat de overheid doet wat zij zegt. Dit is het zogeheten vertrouwensbeginsel. Vorig jaar, op 29 mei 2019, is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over de toepassing van dit vertrouwensbeginsel. Daarin heeft zij een nieuwe - meer op de burger gerichte – lijn uitgezet. Onderdeel van die lijn is dat een geslaagd beroep op een vertrouwensbeginsel, ertoe kan leiden dat een burger recht heeft op schadevergoeding. Dit laatste aspect komt terug in een recente uitspraak van de Raad van State van 6 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1185).

Even terug: het ‘nieuwe’ vertrouwensbeginsel

In de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Raad van State een nieuwe lijn uitgezet met betrekking tot de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. De Raad van State overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen.

Stap 1: komt de uitlating/gedraging waar de burger zich op beroept neer op een toezegging?

Stap 2: kan die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend?

Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap.

Stap 3: wat is de betekenis van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid?

Daarbij dient een afweging van alle belangen te worden gemaakt. Eén van die belangen is of de betrokkene handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervinden. Als na die belangenafweging het gewekte vertrouwen tóch niet wordt gehonoreerd, dan kan er een verplichting ontstaan om die schade te vergoeden.

De casus

Dat laatste – een verplichting tot schadevergoeding – speelt in de uitspraak van de Raad van State van 6 mei 2020. Kort gezegd gaat de casus over een garage, die is gebouwd zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Na een klacht van de buren, legt het college van B&W een last onder bestuursdwang op.

De eigenaar van de garage gaat in bezwaar: vóór de bouw van de garage heeft hij informatie ingewonnen bij de gemeente. Hij heeft een e-mail van een ambtenaar van het cluster vergunningverlening ontvangen. In die e-mail staat dat de garage voldoet aan de regels voor vergunningvrij bouwen. Hij heeft er daarom op vertrouwd dat hij geen vergunning hoefde aan te vragen.

Gemeente moet schade vergoeden

De Raad van State is van oordeel dat de eigenaar van de garage terecht heeft vertrouwd op deze e-mail. Uit deze e-mail mocht hij afleiden dat er geen vergunning nodig was voor het bouwen van de garage. Dat betekent ook dat hij erop mocht vertrouwen dat het college van B&W niet handhavend zou optreden.

Echter: vervolgens moet een belangenafweging plaatsvinden, waarbij ook de belangen van de klagende buren moeten worden meegewogen. De Raad van State noemt onder meer het feit dat de buren zicht hebben op de garage, dat deze op korte afstand van hun perceel staat en dat hun woning daardoor in waarde kan verminderen. De belangen van de buren – in samenhang met het algemeen belang bij handhaving – wegen volgens de Raad van State zwaarder dan het belang bij behoud van de garage. Met andere woorden: het college van B&W had handhavend moeten optreden, waarbij de eigenaar de garage moet afbreken. De eigenaar zal daardoor schade lijden. Bij het nemen van een nieuw handhavingsbesluit moet het college van B&W ook beslissen over een schadevergoeding voor de eigenaar.

Heeft u vragen over bestuursrecht of wilt u advies of bijstand met betrekking tot vergunningen en schadevergoeding? Neem dan contact op mr. R. Jongen, Sectie Vastgoed en Overheid.(rjongen@thuispartners.nl)

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring