Christiaan-Riemens
 
NL / EN / DE

Kan de familie van een patiënt de toepassing van een specifieke behandeling afdwingen?

Begin dit jaar werd een patiënt in het ziekenhuis opgenomen die besmet was geraakt met Covid-19. Enkele dagen later werd de patiënt in slaap gebracht om het herstel te bevorderen. Helaas verslechterde de situatie van de patiënt steeds verder. Om die reden verzocht de familie van de patiënt meermaals om een specifieke behandeling toe te passen, het zogenoemde MATH+ protocol. Dit is een behandelwijze waarbij (onder meer) de middelen Ivermectine, Hydroxychloroquine en Vitamine C worden toegediend. Het ziekenhuis weigerde echter om het MATH+ protocol toe te passen op de patiënt. De familie liet het er niet bij zitten en zocht (met succes) externe artsen die wel bereid waren om deze behandeling uit te voeren. Het ziekenhuis weigerde echter om de betreffende externe artsen de behandeling uit te laten voeren. 

Omdat het ziekenhuis elke medewerking aan de door de familie verzochte behandeling weigerde, startte de familie van de patiënt een kort geding procedure bij de rechtbank Midden-Nederland. Primair vorderde de familie het ziekenhuis te bevelen dat zij de door hun aangedragen huisarts toestaat de gewenste behandeling met (minimaal) de middelen Ivermectine, Hydroxychloroquine en Vitamine C toe te passen. Subsidiair vorderde de familie het ziekenhuis te bevelen dat zij een door de familie aangedragen gekwalificeerd internist toestaat de gewenste behandeling toe te passen.   

De centrale vraag die de voorzieningenrechter in deze zaak diende te beantwoorden was de vraag of de familie van een patiënt het ziekenhuis kan dwingen tot (het faciliteren) van een behandeling waar het ziekenhuis zelf niet achter staat. Daarbij geldt voor de beantwoording van deze vraag als uitgangspunt het goed hulpverlenerschap in het kader van een geneeskundige behandelingsovereenkomst (7:453 BW). Bij de invulling van het goed hulpverlenerschap staat het patiëntbelang, ingevuld door de in Nederland geldende medisch professionele standaard, voorop. Volgens de familie was het weigeren van de behandeling in strijd met het goed hulpverlenerschap. De voorzieningenrechter ging daar niet in mee. De voorzieningenrechter zag geen reden om aan het inhoudelijke medisch oordeel van de behandelend artsen en de door hen toegepaste behandeling te twijfelen. Tussen de behandelend artsen en het ziekenhuis was namelijk uitvoerig overleg gevoerd. Ook was er overleg gevoerd met artsen in andere ziekenhuizen, met relevante beroepsverenigingen en met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Volgens al deze instanties levert het buiten de Europese en Nederlandse richtlijnen om toepassen van deze geneesmiddelen tegen Covid-19 een risico op voor de kwaliteit van de zorg.

De voorzieningenrechter kwam dan ook tot de (onzes inziens juiste) conclusie dat de artsen en het ziekenhuis zorgvuldig hebben gehandeld en dat de familie de gewenste behandeling door het ziekenhuis niet kan afdwingen. Evenmin kan de familie afdwingen dat het ziekenhuis andere artsen toelaat die de gewenste behandeling wél willen uitvoeren.  

Les voor de praktijk is dat een arts niet kan worden gedwongen om een (door de patiënt en/of familie van de patiënt gewenste) behandeling toe te passen of uit te voeren die in strijd is met de medisch professionele standaard, hoe moeilijk dat ook kan zijn voor de betrokkenen. De beoordeling komt toe aan het ziekenhuis en het behandelend personeel waarbij het patiëntbelang altijd centraal dient te staan. De rechter toetst slechts marginaal of deze beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen.

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring