NL / EN / DE

“Een burger mag niet zomaar vertrouwen op websites van de overheid. Dat geldt zowel voor professionele partijen, als voor particulieren.”

Mag je vertrouwen op informatie op een website van de overheid?

Het internet bulkt van de informatie. Ook als het gaat om informatie van de overheid. Wanneer kan ik aanspraak maken op een subsidie? Heb ik voor een aanbouw een omgevingsvergunning nodig, of is het bouwwerk vergunningvrij? En waar moet ik allemaal aan voldoen als ik een evenement wil organiseren?

Veel informatie over dit soort vragen is online terug te vinden, bijvoorbeeld via de website van de gemeente, de Rijksoverheid of het omgevingsloket. Maar: mag ik als burger vertrouwen op die informatie? Of kan ik toch nog in de problemen komen als later blijkt dat de informatie op die website onjuist was?

Het vertrouwensbeginsel: hoe zat het ook alweer?

Het bestuursrecht bevat – kort gezegd – het recht voor, van en tegen het overheidsbestuur. Daarin zijn onder meer regels opgenomen, die de overheid in acht moet nemen bij het nemen van besluiten: de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eén van die beginselen is het zogeheten vertrouwensbeginsel. Dat gaat over de vraag of de door de overheid bij een burger gewekte verwachtingen dienen te worden beschermd.

In de rechtspraak worden hier over het algemeen strenge eisen aan gesteld. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet zomaar. Volgens de bestuursrechter is daarvoor nodig dat ‘er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. ’

Er moet dus sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen. Daarvoor is onder meer relevant door wie de verwachtingen zijn gewekt. Heeft de burger gesproken met een telefoniste, een ambtenaar of de wethouder? En onder welke omstandigheden is dat gedaan: tijdens de borrel, een formeel gesprek op het gemeentehuis, of op de website van de overheid?

De casus

Dat laatste was aan de orde in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van afgelopen juni. Kort gezegd komt de casus op het volgende neer. Een agrariër heeft online (de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), onderdeel van het ministerie van Economische Zaken) een subsidie voor jonge landbouwers aangevraagd.

Die aanvraag wordt goedgekeurd, maar aan het einde van het subsidietraject besluit de minister de subsidie op nihil te stellen omdat de agrariër niet aan alle voorwaarden heeft voldaan. Eén van die voorwaarden is dat de agrariër een geldlening heeft afgesloten bij een bank. Die eis wordt gesteld om schijnconstructies te voorkomen.

De agrariër heeft echter geen lening afgesloten bij een bank, maar bij een andere kredietverstrekker. Hij geeft aan dat op de website bij de voorwaarden voor de subsidie slechts melding was gemaakt van ‘een kredietverstrekker’ en niet van andere aanvullende voorwaarden. Op de website was dus niet vermeld dat sprake moet zijn van een bank. Volgens de agrariër mag hij vertrouwen op de informatie op deze website en moet de minister de subsidie dus gewoon verstrekken.

Vertrouwen op online informatie: niet zomaar doen!

Het College van Beroep gaat daar echter niet in mee. Volgens het College van Beroep is in het besluit van de minister duidelijk vermeld dat de subsidie moet worden uitgevoerd volgens de voorwaarden van de Regeling LNV-subsidies. Deze zijn terug te vinden op www.wetten.nl. De agrariër mocht er niet op vertrouwen dat de opsomming op de website van de RvO leidend was.

Met andere woorden: een burger mag niet zomaar vertrouwen op websites van de overheid. Dat geldt voor zowel professionele partijen, als particulieren. De burger moet alert zijn, en niet te snel van vertrouwen. Om zoveel mogelijk zekerheid te krijgen is het verstandig de toepasselijke wet- en regelgeving te raadplegen. Helaas is deze niet altijd even eenvoudig te vinden, laat staan te begrijpen.