Fokje-Kuiper-2
 
NL / EN / DE

Medisch beroepsgeheim na overlijden

Op 19 juli van dit jaar heeft de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) een uitspraak gedaan over de vraag of ouders inzage mogen krijgen in het medisch dossier van hun door suïcide overleden meerderjarige dochter. De ouders hadden het vermoeden dat de instelling het overlijden van hun dochter had kunnen voorkomen. Aan de hand van het medisch dossier wilden zij nagaan of hun vermoeden juist was. Daarnaast voerden zij aan dat zij het medisch dossier nodig hadden om de kosten van de uitvaart en de door hen ondervonden affectieschade te kunnen claimen.

Wettelijke regeling

Het medisch beroepsgeheim is geregeld in artikel 7:457 BW. Daarin is bepaald dat de hulpverlener geen inlichtingen over de patiënt geeft aan anderen dan de patiënt, tenzij de patiënt daarvoor toestemming heeft gegeven. Het doel daarvan is enerzijds de bescherming van het recht op privacy van de individuele patiënt en anderzijds het belang van alle patiënten bij een onbelemmerde toegang tot de gezondheidszorg. Patiënten moeten zich tot hulpverleners kunnen wenden zonder ervoor beducht te zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens kunnen worden verspreid.

De wetgever heeft (nog) geen regeling getroffen voor het verstrekken van inlichtingen ná het overlijden van de patiënt. Er wordt echter algemeen aangenomen dat het medisch beroepsgeheim ook geldt na de dood. Voorkomen moet worden dat patiënten geen hulp meer zoeken of informatie achterhouden uit angst voor openbaarmaking van hun gegevens na hun overlijden.

In de procedure bij de rechtbank Roermond beriep de instelling zich op het medisch beroepsgeheim en voerde aan dat de dochter meermalen en uitdrukkelijk had gezegd dat zij haar ouders niet bij de behandeling wilde betrekken. De ouders stelden zich op het standpunt dat hun dochter bij leven weliswaar geen toestemming had gegeven voor inzage in het dossier, maar dat na haar overlijden moet worden aangenomen dat zij daartegen geen bezwaar zou hebben gehad. De ouders baseerden deze stelling op de goede band die zij met hun dochter hadden.

In de rechtspraak worden twee uitzonderingen erkend op grond waarvan het medisch beroepsgeheim na overlijden kan worden doorbroken: de veronderstelde toestemming en het zwaarwegend belang.

Veronderstelde toestemming

In de richtlijn “Omgaan met medische gegevens” uit september 2016 neemt de KNMG als standpunt in dat indien door belanghebbenden een klacht tegen een arts wordt ingediend wegens een vermeende medische fout met als gevolg het overlijden van de patiënt, gegevens uit het dossier van de patiënt verstrekt mogen worden. Aangenomen moet worden dat de patiënt hiervoor toestemming zou hebben gegeven, aldus de KNMG.

In de jurisprudentie wordt meestal een andere lijn gevolgd: toestemming van de patiënt mag slechts worden verondersteld op grond van concrete aanwijzingen van de overledene. Het is aan de nabestaanden om de veronderstelde toestemming aannemelijk te maken. Aanvoeren dat niet blijkt dat de overledene bezwaar zou hebben gemaakt tegen verstrekking van de medische gegevens is niet voldoende. In het onderhavige geval waren er eerder concrete aanwijzingen dat de dochter geen toestemming wenste te verlenen. De rechtbank ging dan ook niet mee in de redenering van de ouders.

Zwaarwegend belang

Het medisch beroepsgeheim kan ook worden doorbroken, indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat door het beroep van de hulpverlener op zijn beroepsgeheim een ander zwaarwegend belang zou kunnen worden geschaad . Een louter emotioneel belang is onvoldoende om doorbreking van de geheimhoudingsplicht te rechtvaardigen, zo oordeelde het hof Den Bosch recent nog in een arrest van 7 maart 2017. Een vader had inzage in het medisch dossier van zijn door suïcide overleden dochter gevorderd, omdat hij met gegevens uit dit dossier zijn klacht tegen de behandelaar bij de tuchtrechter wilde onderbouwen. Zijn vordering werd afgewezen.

Het bestaan van een zwaarwegend belang bij inzage wordt niet snel aangenomen. Meestal betreft het geschillen over een testament, waarbij een nabestaande vanuit materieel belang wilsonbekwaamheid van de erflater wil aantonen. Onlangs, in een uitspraak van 9 augustus jl., besliste de rechtbank Overijssel dat een huisarts het medisch dossier aan de echtgenoot en 3 van de 4 kinderen van zijn overleden patiënte moest afgeven, omdat zij dit nodig hadden om zich te kunnen verweren tegen een vordering van het vierde kind, dat vernietiging van het testament van moeder had gevorderd. De rechtbank oordeelde dat het recht op hoor en wederhoor een fundamenteel beginsel van het burgerlijk procesrecht is en evident een zwaarwegend belang oplevert dat maakt dat een inbreuk op de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is.

De rechtbank Noord-Nederland stond in februari 2016 inzage in het medisch dossier echter niet toe aan een moeder, die afschrift van het dossier had gevorderd, omdat zij het ziekenhuis waar haar zoon was overleden aansprakelijk wilde stellen. De zoon was overleden aan een aantasting van de hartspier, mogelijk als gevolg van de medicijnen die hij in het ziekenhuis had gekregen. De moeder had een materieel belang bij haar vordering: haar zoon leverde voorafgaand aan zijn overlijden een financiële bijdrage aan het gezamenlijke huishouden en door zijn overlijden is die bijdrage weggevallen. Dergelijke schade kan op grond van artikel 6:108 BW op de aansprakelijke personen worden verhaald. Desondanks was de rechtbank van oordeel dat dit belang niet opwoog tegen het algemene belang dat door het medisch beroepsgeheim wordt beschermd.

Bovenstaande jurisprudentie laat zien dat vooraf moeilijk te voorspellen valt of met doorbreking van het beroepsgeheim inzage in het medisch dossier moet worden verleend of niet, omdat dit afhangt van de vraag welk belang de rechter het zwaarst laat wegen

Wetsvoorstel

In april 2016 is een wetsvoorstel gepubliceerd waarbij in het nieuwe artikel 7:458a BW het inzagerecht van nabestaanden wettelijk wordt geregeld. De veronderstelde toestemming komt in het wetsvoorstel niet voor. In plaats daarvan wordt onder meer een recht op inzage toegekend aan de nabestaande, die een mededeling over een calamiteit of geweld in de zorgrelatie heeft ontvangen. Indien dit wetsvoorstel wordt aangenomen, valt te verwachten dat in zaken als deze in de toekomst mogelijk anders zal worden beslist.

Deze bijdrage werd geschreven door: mr. Fokje Kuiper, fkuiper@thuispartners.nl

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring