Britta-Zeschmann-1
 
NL / EN / DE

Procederen bij de Ondernemingskamer: Hoe werkt het en wat levert het op?

Wanneer een enquêteprocedure starten?

De enquêteprocedure is bij uitstek een procedure die in de categorie “corporate litigation” valt. In beginsel is deze procedure erop gericht conflicten tussen de verschillende organen van de vennootschap of tussen aandeelhouders onderling te beëindigen, impasses te doorbreken en de verhoudingen binnen de vennootschap te herstellen.

In dit artikel leg ik uit hoe deze procedure in grote lijnen werkt en wanneer en met welk doel deze kan worden ingezet.

Wie kan een procedure starten?

Een enquêteprocedure kan worden gestart door de vennootschap zelf, door de Ondernemingsraad of door aandeelhouders of certificaathouders die samen tenminste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, of samen tenminste € 225.000, aan nominaal aandelenkapitaal bezitten. Statutair kan ook nog aan andere groepen dit zogenaamde recht van enquête worden toegekend.

Om onnodige procedures te voorkomen is wettelijk vastgelegd dat het bestuur eerst in de gelegenheid moet worden gesteld om zelf maatregelen te treffen tegen eventuele misstanden. Om die reden moet de verzoekende partij zijn bezwaren eerst bij het bestuur (en indien van toepassing bij de raad van commissarissen) kenbaar maken en een termijn stellen om op deze punten acties te nemen. Ontbreekt deze zogenaamde “bezwarenbrief”, dan zal de Ondernemingskamer het enquêteverzoek niet in behandeling nemen.

De eerste fase: gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen?

Legt het bestuur of de raad van commissarissen de bezwaren naast zich neer, dan kan een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer worden ingediend om een onderzoek te gelasten naar het reilen en zeilen binnen de vennootschap. De Ondernemingskamer is een bijzondere Kamer van het Gerechtshof Amsterdam en is doorgaans samengesteld uit drie raadsheren en twee zogenaamde raden (deskundigen uit de praktijk die geen lid zijn van de rechterlijke macht). Met het verzoekschrift begint de eerste fase van de enquêteprocedure.

De andere belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om middels een verweerschrift op het verzoek te reageren. Daarna volgt een mondelinge behandeling. Na de mondelinge behandeling neemt de Ondernemingskamer een beslissing.

De in het kader van de eerste fase alles bepalende juridische vraag is: “Zijn er gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen?”. Dit is de maatstaf aan de hand waarvan de Ondernemingskamer dient te beoordelen of er een onderzoek moet komen. De maatstaf is een zeer feitelijke. Uit de rechtspraak blijkt dat er diverse grondslagen en situaties denkbaar kunnen zijn die tot dit oordeel leiden. De meest voorkomende zijn: de inhoud en/of uitvoering van het ondernemingsbeleid en risicobeheer, een patstelling tussen en/of binnen één of meer organen van de vennootschap, tegenstrijdig belang bij één of meer actoren, schending van wettelijke/statutaire voorschriften en (ontbrekend) toezicht door de RvC op het bestuur.

Als de Ondernemingskamer oordeelt dat er inderdaad gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen, wordt een onderzoek gelast, waar hieronder verder op in wordt gegaan.

In het kader van de eerste fase (en ook verderop in de procedure) kan de Ondernemingskamer bovendien worden verzocht om voorlopige voorzieningen treffen. Worden deze toegewezen, heeft dit veelal direct invloed op de verhoudingen binnen de vennootschap. Zo kan de Ondernemingskamer bijvoorbeeld bestuurders of commissarissen (tijdelijk) schorsen, ontslaan, een (extra) tijdelijke bestuurder of commissaris benoemen (al dan niet met doorslaggevende stem), een aandeelhouder het stemrecht ontnemen of zelfs aandelen ten titel van beheer overdragen aan een derde.

Kortom: vergaande maatregelen om eventuele conflicten binnen de vennootschap daadkrachtig aan te pakken. Doordat op ieder moment van de procedure een voorlopige voorziening kan worden verzocht en gelast, kan de enquêteprocedure een effectieve weg zijn om snel uit een impasse te geraken. Daarbij geldt dat de voorzieningen vaak niet zijn beperkt qua tijd en derhalve doorgaans gelden voor de duur van de procedure.

Het Onderzoek

Indien gegronde reden bestaan om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen, beveelt de Ondernemingskamer een onderzoek en benoemt zij een onderzoeker. Meestal geeft de Ondernemingskamer in haar beschikking aan welke aspecten van het beleid onderwerp van het onderzoek horen te zijn en op welke periode het onderzoek moet zien.

De kosten van het onderzoek komen ten laste van de vennootschap, maar kunnen afhankelijk van de uitkomst later op de verzoeker of op het bestuur worden verhaald. Indien de vennootschap niet over voldoende financiële middelen beschikt, moet de verzoeker zelf zekerheid stellen.

De Onderzoeker krijgt voor zijn onderzoek toegang tot de volledige administratie. Voorts zal hij interviews houden met bestuurders, commissarissen, werknemers en overige betrokkenen en zijn alle betrokken binnen de vennootschap verplicht tot medewerking hieraan. Het is een grondig onderzoek, waarbij niet ongebruikelijk is dat het een jaar of langer duurt. Een maximale termijn waarbinnen het onderzoek moet zijn afgerond is er niet. De onderzoeker verwoordt zijn bevindingen vervolgens in een (doorgaans uitgebreid en goed gedocumenteerd) verslag dat de betrokken partijen eerst in concept wordt voorgelegd en waar zij nog een keer op mogen reageren.

De eerste fase komt ten einde doordat de onderzoeker het definitieve verslag met bijlagen ter inzage van alle belanghebbenden bij de griffie van de Ondernemingskamer deponeert.

De tweede fase: wanbeleid?

Met name wanneer het onderzoek is ingesteld in het kader van een aandeelhoudersgeschil zullen de betrokken partijen (vaak reeds hangende het onderzoek) met elkaar om tafel gaan om te kijken of zij tot een oplossing van het geschil kunnen komen. Vaak biedt het (concept) verslag van de onderzoeker een mooie aanleiding voor deze onderhandelingen. Immers, een onafhankelijk derde (weliswaar geen rechter) heeft op papier gezet waar op basis van zijn objectieve constateringen eventuele pijnpunten zitten en partijen al dan niet steken hebben laten vallen. Echter, blijven de verhoudingen binnen de vennootschap onveranderd en komt men er onderling niet uit, kan de enquêteprocedure worden gecontinueerd.

Indien de verzoeker of andere bevoegde betrokkenen van mening zijn dat uit het onderzoeksverslag blijkt dat sprake is (geweest) van zogenaamd wanbeleid, kunnen zij de Ondernemingskamer binnen twee maanden na de deponering van het verslag verzoeken vast te stellen dat sprake is van wanbeleid en verzoeken daar bepaalde voorzieningen aan te verbinden. Het bestaan van wanbeleid moet uit het verslag naar voren komen.

Luidde in het kader van de eerste fase de alles bepalende juridische vraag nog: “Zijn er gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen?”, zo luidt de vraag in de tweede fase van de enquêteprocedure nu: “Is er sprake van wanbeleid?”

Wat is het verschil tussen gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen en wanbeleid? In beide gevallen betreft het een open norm, die door de Ondernemingskamer toegepast dient te worden en waarbij alle omstandigheden van het concrete geval in acht genomen dienen te worden. Echter, wanbeleid is een duidelijk zwaardere maatstaf dan gegronde reden om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen. Het moet gaan om een flagrant ondermaats beleid en/of ondermaatse gang van zaken; om misstanden die zodanig ernstig zijn dat sprake is van wanbeleid. Wanbeleid kent daarbij vele verschijningsvormen, waardoor de invulling van deze norm sterk casuïstisch is.

Dat in deze tweede fase een strengere maatstaf geldt is ook logisch, aangezien de Ondernemingskamer in het geval van wanbeleid ook een aantal (wettelijk vastgelegde) vergaande voorzieningen (met een meer definitief karakter) kan treffen, waaronder het ontslag van een bestuurder of commissaris, maar zelfs tot ontbinding van de vennootschap kan beslissen.

Tot slot

Samenvattend geldt dat de enquêteprocedure een zeer efficiënte manier kan zijn om conflicten binnen een vennootschap op te lossen, impasses te doorbreken en interne verhoudingen te herstellen.

Heeft u na het lezen van dit artikel vragen over de enquêteprocedure, aandeelhoudersgeschillen of andere vormen van corporate litigation? Neem dan gerust contact op met mr. Britta Zeschmann.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Britta Zeschmann (Advocaat sectie ondernemings- en insolventierecht; bzeschmann@thuispartners.nl).

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring