Karina-Lemmens
 
NL / EN / DE

Regeling Vervroegd Uittreden

De komende jaren schuift de AOW-leeftijd steeds verder op. Veel werknemers moeten daardoor langer doorwerken. Tot begin van dit jaar was het voor werkgevers een kostbare aangelegenheid om werknemers vervroegd uit dienst te laten treden. Dit had onder meer te maken met de RVU-heffing van 52% waar werkgevers dan mee geconfronteerd werden. Per 1 januari 2021 gelden er echter nieuwe regels die mogelijkheden geven om tot een vervroegde uitdiensttreding te komen zonder de RVU-heffing te moeten betalen. Er is namelijk tijdelijk sprake van een RVU-vrijstelling. In deze bijdrage worden deze nieuwe regels op hoofdlijnen nader toegelicht. 

Regeling Vervroegd Uittreden

Indien een werknemer niet wil wachten tot zijn pensioen en dus eerder wil stoppen met werken dan kan het dienstverband worden beëindigd middels een financiële (vertrek)regeling. Zo’n regeling kan echter door de Belastingdienst worden aangemerkt als een Regeling Vervroegd Uittreden (RVU). De RVU moet voorkomen dat werkgevers werknemers vanwege hun leeftijd laten afvloeien met een financiële regeling. Als volgens de Belastingdienst sprake is van een RVU dan is de werkgever een heffing van 52% verschuldigd over de totale financiële uitkering. Uit de Wet op de loonbelasting volgt dat van een RVU sprake is als het dienstverband van een oudere werknemer (55-plusser) wordt beëindigd en de ontslagregeling (nagenoeg) uitsluitend ertoe strekt om de werknemer financieel in staat te stellen om de periode vanaf uitdiensttreding tot de ingangsdatum van de AOW of de pensioendatum te overbruggen. Let op: niet ieder ontslag van een oudere werknemer kwalificeert als een RVU. Als het dienstverband om een andere reden wordt beëindigd, bijvoorbeeld omwille van bedrijfseconomische redenen of vanwege disfunctioneren dan is er in beginsel geen sprake van een RVU.

Een tip: leg als werkgever de vertrekregeling vooraf ter toetsing voor. De Belastingdienst beoordeelt dan of de regeling is aan te merken als een RVU of niet. De uitkomst daarvan legt de Belastingdienst vast in een beschikking waartegen eventueel bezwaar kan worden gemaakt. 

Uitspraak Hoge Raad

De vraag of een vertrekregeling is aan te merken als een RVU heeft in de afgelopen jaren tot vele procedures geleid tussen de Belastingdienst en werkgevers. Die beoordeling heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 22 juni 2018 een stuk gemakkelijker gemaakt. Hierbij oordeelde de Hoge Raad dat bij de beoordeling of een regeling een RVU is de feitelijke uitstroom van werknemers niet van belang is. Gekeken moet worden naar de objectieve voorwaarden en kenmerken van de regeling. Ook de reden voor een werkgever om een regeling aan te bieden alsmede het motief van de werknemer om te kiezen voor een dergelijke regeling is niet van belang. De Hoge Raad stelt dat ‘bepalend is of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad is de kans groot dat de Belastingdienst regelingen voortkomend uit vrijwillige uitdiensttreding minder snel als een RVU zal aanmerken.

Versoepeling RVU-heffing

De Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen maakt een versoepeling van de RVU-heffing mogelijk middels de zogeheten vrijstellingsregeling. De RVU-vrijstelling is een tijdelijke maatregel voor de duur van vijf jaar. Dankzij deze vrijstelling mogen werkgevers een regeling treffen met een oudere werknemer om vervroegd uit dienst te treden, zonder daar de RVU-heffing af te dragen. Hiervoor gelden wel enkele voorwaarden:

  • De uitkering duurt maximaal 36 maanden. Dit geldt voor de 36 maanden voorafgaand aan het bereiken van de AOW-leeftijd van de betreffende werknemer. De uitkering wordt dus aan de werknemer toegekend in diens laatste 36 maanden voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
  • De uitkering mag het drempelbedrag niet overschrijden. Het drempelbedrag is maximaal het bedrag dat gelijk is aan de hoogte van de netto AOW-uitkering voor een alleenstaande in het betreffende jaar. In 2021 is dit maximaal € 1.847,-.

Een voorbeeld ter illustratie. Een werknemer die op 16 augustus 2024 zijn AOW-leeftijd bereikt, ontvangt op 1 oktober 2021 een RVU-uitkering van zijn werkgever. De tussenliggende periode van ontvangst van de uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 34 maanden en 15 dagen. De maanden worden naar boven afgerond op hele maanden. In dit voorbeeld worden dus 35 maanden in aanmerking genomen voor de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt dan 35 x € 1.847 = € 64.645,-. Over dit bedrag was de werkgever voorheen een eindheffing van 52% verschuldigd. Met deze tijdelijke vrijstelling is dat niet meer aan de orde. Als de werkgever besluit om een werknemer een hoger bedrag dan het maximum uit te keren dan is de werkgever de RVU-heffing van 52% wél verschuldigd over het bedrag dat boven het drempelbedrag komt.

Conclusie

De tijdelijke RVU-vrijstelling biedt voor werkgevers mogelijkheden om eenvoudiger (en goedkoper) het dienstverband met een oudere werknemer te beëindigen. Het kan daarom interessant zijn als werkgever om te bezien of binnen de organisatie oudere werknemers zijn waarbij van beide kanten de behoefte bestaat om voor de AOW-leeftijd tot een beëindiging van het dienstverband te komen. Afspraken kunnen dan worden vastgelegd in een beëindigingsovereenkomst waarmee het dienstverband met wederzijds goedvinden tot een einde komt. Voor de werkgever biedt dit perspectief om een beëindigingsregeling te treffen zonder de RVU-heffing van 52% te moeten afdragen.

Dit is een bijdrage van mr. Karina Lemmens (clemmens@thuispartners.nl).

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring