Christiaan-Riemens-3
 
NL / EN / DE

Verpleegkundige gunt (een gedwongen opgenomen) alcoholverslaafde patiënte één glas wijn: wat zijn de gevolgen?

Verpleegkundigen hebben (veelal) als kracht ten aanzien van patiënten dat zij een groot inlevingsvermogen en een sterke betrokkenheid hebben. Tegelijk moeten zij een professionele distantie houden. Dat dit niet altijd goed gaat, illustreert onderstaande casus. Bijzonder in de hieronder te bespreken casus is dat het tuchtrechtelijk en arbeidsrechtelijk oordeel verschillen ten aanzien van de vraag of de psychiatrisch verpleegkundige mocht toestaan dat patiënte X een glas wijn nuttigde. De tuchtrechter oordeelt duidelijk met een nee, terwijl de civiele rechter oordeelt met een ja.

Feiten

Een psychiatrisch verpleegkundige is sinds 1 juli 2003 in dienst bij een zorginstelling die zich richt op het aanbieden van zorg aan personen in iedere levensfase met complexe psychiatrische problemen. Op deze gesloten afdeling bevindt zich ook X, een patiënte met een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis die bekend is met alcoholmisbruik.

Op 26 januari 2016 gunt de psychiatrisch verpleegkundige, na vooraf overlegd te hebben met een collega-verpleegkundige (de tweede verpleegkundige), X een glas wijn in een nabijgelegen horecagelegenheid. De psychiatrisch verpleegkundige noteert, noch meldt dat X een glas wijn op 26 januari 2016 heeft genuttigd.

Op 28 januari 2016 staat (ook) een andere verpleegkundige (hierna: de derde verpleegkundige) toe dat X een glas wijn drinkt om X 'een mooi moment te gunnen' in een gecontroleerde setting op een tijdstip waarop het gebruik van een kleine hoeveelheid alcohol geen invloed zou hebben op de later op die avond in te nemen medicatie. De derde verpleegkundige maakt daar evenmin melding van.

Op 29 januari 2016 loopt X weg tijdens een groepswandeling. X wordt vervolgens thuis aangetroffen, waarbij bleek dat X de nodige (sterke) alcoholische dranken achter de kiezen had.

De nicht van patiënte X is ‘not amused’ en maakt een melding bij de zorginstelling, waarna de zorginstelling alle drie de verpleegkundigen schorst en een drietal ontbindingsverzoeken indient. Geruime tijd nadien start de zorginstelling ook een tuchtrechtelijke procedure op. In dit stuk staat de tuchtrechtelijke- en civiele procedure ten aanzien van de psychiatrisch verpleegkundige centraal.

De tuchtklacht

Voor wat betreft de psychiatrisch verpleegkundige bestaat de tuchtklacht uit de volgende onderdelen:

  1. het ten onrechte toestaan dat X buiten de instelling alcoholgebruikte;
  2. het niet vooraf melden van het alcoholgebruik, zodat behandelaars daarmee geen rekening konden houden;
  3. het niet rapporteren van het alcoholgebruik, zodat behandelaars daarmee geen rekening konden houden;
  4. het bagatelliseren van het handelen bij confrontatie van de zorginstelling met haar handelwijze en het niet tonen van reflectie hierop.

Dit alles levert volgens de zorginstelling handelen in strijd met art. 47 lid 1 Wet BIG op (zie hier voor de tuchtrechtelijke uitspraak).

De psychiatrisch verpleegkundige voert fors verweer

De psychiatrisch verpleegkundige verweert zich tegen de tuchtklacht door aan te voeren dat:

  • ze weet dat binnen de afdeling alcoholgebruik niet is toegestaan, maar ze patiënte serieus heeft genomen in haar verzoek om buiten de instelling een glas wijn te mogen drinken;
  • het toestaan van een glas wijn een kwestie van bejegening was en geen zelfstandige diagnostiek;
  • in het behandelplan niet stond beschreven dat patiënte geen alcohol mocht gebruiken, terwijl binnen de afdeling de meningen verdeeld waren over het gebruik van alcohol;
  • het glas wijn niet is gerapporteerd omdat zij dit niet relevant vond en het belangrijker vond om te vermelden dat patiënte niet was weggelopen en geen onaangepast gedrag had vertoond;
  • voor haar niet duidelijk is welke gedragscode of huisregels door haar zou zijn geschonden.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: RTG) oordeelt uiteindelijk dat de psychiatrisch verpleegkundige geen (zelfstandig) gebruik van alcohol had mogen toestaan. Het RTG overweegt daartoe het volgende:

“Niet in geschil is dat bij patiënte sprake was van een langdurige ernstige psychiatrische problematiek en overmatig alcoholgebruik in het verleden, hetgeen verweerster bekend was. Evenmin is in geschil dat er sprake was van een gedwongen opname van patiënte in een gesloten afdeling. Onder deze omstandigheden had voor verweerster, een ervaren psychiatrisch verpleegkundige, duidelijk moeten zijn dat zij niet zelfstandig gebruik van alcohol had mogen toestaan. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat hiervan niet expliciet melding werd gemaakt in het behandelplan en dat het behandelplan met name was gericht op het goed instellen op medicatie. In zoverre heeft verweerster niet de van haar te vergen zorg jegens patiënte betracht, hoewel de intentie van verweerster mogelijk een andere was.”

Ook het ontbreken van een rapportage had anders gemoeten volgens het RTG, aangezien de handelwijze van verweerster gevolgen kan hebben voor de verdere behandeling van patiënte en behandelaars hiervan niet onwetend hadden mogen blijven.

Het RTG legt uiteindelijk (slechts) een waarschuwing op. Voor een zwaardere maatregel wordt geen grond gezien aangezien:

1. De zorginstelling zeer snel zware maatregelen (schorsing en aanzegging van ontslag) heeft ingezet waarbij geen ruimte is gecreëerd voor overleg en reflectie (lees: het vierde klachtonderdeel wordt dus afgewezen);

2. De kaders binnen de afdeling van de psychiatrisch verpleegkundige minder duidelijk waren dan gewenst omdat:

a. het afdelingshoofd langdurig afwezig was wegens ziekte;

b. betrekkelijk kort voor het incident een nieuwe psychiater met andere opvattingen op de gesloten afdeling zijn intrede had gedaan;

3. De psychiatrisch verpleegkundige een onberispelijke staat van dienst heeft;

4. Er een zware maatregel van een schorsing van meer dan een jaar is getroffen, terwijl ook een ontslagprocedure loopt.

En de ontbindingsprocedure?

De kantonrechter heeft het verzoek van de zorginstelling tot ontbinding wegens verwijtbaar handelen afgewezen. Ongeveer een week na het indienen van de tuchtklachten tekent de zorginstelling hoger beroep aan tegen de beschikking van de kantonrechter.

In hoger beroep komt het Hof Den Haag tot dezelfde uitkomst als de kantonrechter(zie hier). Niet kan volgens het Hof worden aangenomen dat de psychiatrisch verpleegkundige bewust in strijd met de geldende regels en afspraken heeft gehandeld door X alcohol te gunnen. Het gunnen van een glas wijn is in de gegeven omstandigheden volgens het Hof (anders dan het RTG!) niet ontoelaatbaar. Daartoe overweegt het Hof het volgende:

"Het enkele feit dat X bekend was met fors alcoholgebruik thuis, daardoor medicatieontrouw was en een ontslagwens zou kunnen hebben bij eventuele onthoudingsverschijnselen maakt niet per definitie dat het nuttigen van één alcoholische consumptie in een gecontroleerde setting – zoals in onderhavig geval – voor de psychiatrische verpleegkundigen kenbaar evident contra geïndiceerd, of anderszins ontoelaatbaar was.”

Het niet voorbespreken en het niet nadien rapporteren van het gunnen van een glas alcohol aan X had echter wel moeten gebeuren en leverde verwijtbaar handelen op. Dit was echter van onvoldoende gewicht om de verzochte ontbinding op de zgn. e-grond te dragen.

Het beroep van de zorginstelling op een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) wordt, tot slot, aangemerkt door het Hof als zijnde prematuur aangezien er geen serieuze poging door de zorginstelling was gedaan om de ontstane (wederzijdse) vertrouwensbreuk te dichten/helen. Voorlopig zal de zorginstelling dus op de blaren moeten zitten.

En de andere verpleegkundigen?

De uitkomst is bij de andere verpleegkundigen niet anders dan hierboven is weergegeven. Zowel ten aanzien van de tweede (zie hier voor de beschikking en hier voor het arrest) als derde verpleegkundige (zie hier voor de beschikking en hier voor het arrest) wordt het ontbindingsverzoek van de zorginstelling door het Hof Den Haag niet gehonoreerd. Zowel de tweede (zie hier voor het tuchtrechtelijk oordeel) als de derde (zie hier voor het tuchtrechtelijk) verpleegkundige krijgt wel een waarschuwing van het RTG opgelegd.

Lessen voor de praktijk

Les die uit de casus valt te halen, is dat een zorginstelling de (te) betrokken verpleegkundige soms tegen zichzelf moet beschermen door schriftelijk duidelijk grenzen vast te stellen. De zorginstelling in casu had dat onvoldoende gedaan. Had de zorginstelling dat wel gedaan, dan had mogelijk zowel de tuchtrechter als de civiele rechter een nee als antwoord gegeven op de vraag of de psychiatrisch verpleegkundige mocht toestaan dat patiënte X een glas wijn nuttigde.

Een andere les is dat een zorginstelling er soms verstandig aan doet om gelijktijdig met het indienen van het ontbindingsverzoek een tuchtprocedure op te starten. Een tuchtrechtelijk oordeel kan de positie van de zorginstelling in een ontbindingsprocedure versterken. Let wel: Het oordeel van de tuchtrechter leidt echter niet zonder meer tot hetzelfde oordeel in een civiele procedure (Hoge Raad d.d. 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452).

Deze bijdrage werd geschreven door: mr. Christiaan Riemens, criemens@thuispartners.nl.

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring