De afkoelingsperiode in het kader van de Wet homologatie onderhands akkoord (‘WHOA’) biedt een schuldenaar tijdelijk bescherming tegen verhaals- en executiemaatregelen van schuldeisers. Deze periode van rust is bedoeld om zonder externe druk een akkoord voor te bereiden dat leidt tot een duurzame herstructurering of gecontroleerde afwikkeling van de onderneming. De rechtbank verleent zo’n afkoelingsperiode echter alleen als aan strikte wettelijke voorwaarden is voldaan en de belangen van alle betrokken schuldeisers voldoende zijn gewaarborgd. Dat blijkt ook uit een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin een verzoek om een afkoelingsperiode strandde op procedurele en financiële tekortkomingen.
De rechtbank heeft op 24 juli 2025 een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode op grond van artikel 376 Faillissementswet (‘Fw’) afgewezen. De schuldenaar, die een besloten WHOA-akkoord wilde voorbereiden, slaagde er volgens de rechtbank onvoldoende in om de financiële situatie helder en consistent toe te lichten. Daarnaast was de Belastingdienst – beslaglegger én belangrijke schuldeiser – niet geïnformeerd over het verzoek, ondanks dat de rechtbank dit vooraf uitdrukkelijk had opgedragen.
Een WHOA-akkoord in voorbereiding
De verzoeker, handelend onder een eenmanszaak, had op 17 juni 2025 een startverklaring gedeponeerd en aangekondigd dat hij tegen het einde van de zomervakantie een WHOA-akkoord zou aanbieden. Omdat op zijn bankrekeningen beslag was gelegd door de Belastingdienst, vroeg hij de rechtbank om een afkoelingsperiode van vier maanden om rust te creëren en het akkoord te kunnen voorbereiden.
Onvoldoende duidelijkheid over financiële situatie
Voor het toewijzen van een afkoelingsperiode moet blijken dat de periode noodzakelijk is om de onderneming te kunnen voortzetten of gecontroleerd af te wikkelen, dat de gezamenlijke schuldeisers daarmee zijn gebaat en dat derden door de afkoelingsperiode niet wezenlijk worden geschaad.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde verzoeker dat hij een vaste opdracht heeft waarmee hij maandelijks € 12.000 omzet realiseert, waarvan € 3.500 kosten moeten worden betaald en een aanzienlijk deel als buffer zou worden gereserveerd. Hij stelde 20% aan concurrente schuldeisers te willen aanbieden en 40% aan de Belastingdienst.
Die cijfers bleken echter niet overeen te komen met de bedragen in de bijlagen bij het verzoekschrift. De startverklaring sprak van slechts € 3.500 aan kosten per maand en een buffer van € 5.500, terwijl de liquiditeitsprognose uitging van circa € 9.700 aan maandelijkse uitgaven. Deze verschillen werden niet overtuigend verklaard. Ook bleef onduidelijk welke kosten zouden worden gemaakt voor de accountant en advocaat die het WHOA-traject begeleiden, en op welke wijze die kosten worden gefinancierd.
Door deze inconsistenties kon de rechtbank niet vaststellen of de onderneming financieel voldoende stabiel was om gedurende de afkoelingsperiode te blijven functioneren, noch welk bedrag daadwerkelijk beschikbaar zou zijn voor schuldeisers.
Belangrijke fout: Belastingdienst niet geïnformeerd
Een cruciale omstandigheid was bovendien dat de advocaat van verzoeker vergat de Belastingdienst te informeren over het verzoek en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De Belastingdienst is beslaglegger en een van de belangrijkste schuldeisers, en zou door een afkoelingsperiode direct worden geraakt. Omdat de Belastingdienst niet was gehoord, was het voor de rechtbank onmogelijk om te beoordelen of zij door de afkoelingsperiode wezenlijk in haar belangen zou worden geschaad.
Afwijzing van het verzoek
Gezien de grote onduidelijkheid over de financiële situatie én het ontbreken van een zienswijze van een essentiële schuldeiser, oordeelde de rechtbank dat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 376 lid 4 Fw. Het verzoek om een afkoelingsperiode werd daarom afgewezen.
Deze beslissing onderstreept dat de rechter alleen een afkoelingsperiode kan toekennen wanneer de financiële gegevens helder, controleerbaar en consistent zijn, en wanneer alle belanghebbenden – met name beslagleggers – correct worden geïnformeerd en in staat worden gesteld hun zienswijze te geven.