Wetsvoorstel VBAR van tafel; is de beoogde vervanger de Zelfstandigenwet dan de oplossing?

15 mei, 2026

Na het opheffen van het handhavingsmoratorium in het kader van de (huidige) Wet DBA, verlangt ZZP-land meer duidelijkheid. Deze zou volgens de wetgever initieel worden geboden door (het wetsvoorstel) VBAR1 (of dat ook zo was, is een andere vraag). Echter, met het Coalitieakkoord 2026–2030 is bekendgemaakt dat het wetsvoorstel VBAR van tafel is. In plaats daarvan wil het kabinet zo snel mogelijk, wellicht al per juli 2026, het initiatiefwetsvoorstel Zelfstandigenwet invoeren. Zowel VBAR als de Zelfstandigenwet beogen meer duidelijkheid te bieden over het onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers. De vraag wanneer iemand als werknemer moet worden aangemerkt en wanneer als zelfstandige leidt in de praktijk regelmatig tot discussie, omdat het antwoord op die vraag grote gevolgen heeft voor onder meer de afdracht van loonbelasting en premies, loondoorbetaling bij ziekte, pensioenopbouw en ontslagbescherming. De Zelfstandigenwet kiest weliswaar voor een geheel andere benadering dan VBAR, maar biedt de Zelfstandigenwet wél de oplossing waar op wordt gewacht?

 

De Zelfstandigenwet in hoofdlijnen

Waar VBAR voortbouwde op bestaande jurisprudentie, waaronder het veelbesproken Deliveroo-arrest, introduceert de Zelfstandigenwet een geheel nieuw kwalificatiekader. Het uitgangspunt is daarbij omgekeerd: niet de vraag of de werkende werknemer is (zoals in VBAR), maar de vraag of hij zelfstandige is, staat centraal. De beoordeling vindt plaats aan de hand van twee toetsen waaraan cumulatief moet zijn voldaan, te weten de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Voor sectoren met een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid kan daarnaast een sectoraal rechtsvermoeden worden ingevoerd. Het civielrechtelijke rechtsvermoeden conform VBAR blijft gehandhaafd. De toetsen en de rechtsvermoedens worden hieronder kort besproken.

De zelfstandigentoets

De zelfstandigentoets bevat vijf (cumulatieve) criteria:

  1. de werkende moet voor eigen rekening en risico werken;
  2. de werkende dient een deugdelijke administratie te voeren, wat onder meer kan blijken uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een btw-nummer, een zakelijke rekening of facturering aan meerdere opdrachtgevers;
  3. de werkende moet zich in het economisch verkeer presenteren als zelfstandig ondernemer;
  4. de werkende moet een adequate voorziening hebben getroffen tegen arbeidsongeschiktheid, zoals een private verzekering of voldoende eigen vermogen als financieel vangnet, en;
  5. de werkende moet voorzien in een proportionele pensioenvoorziening, waarbij de invulling daarvan aan de werkende zelf is.

De werkrelatietoets

De werkrelatietoets bevat vier (cumulatieve) criteria:

  1. de werkende dient een grote mate van vrijheid te hebben bij het bepalen van zijn werktijd;
  2. de werkende dient een grote mate van vrijheid te hebben bij de organisatie van het werk;
  3. er moet geen sprake zijn van hiërarchische controle door de opdrachtgever, en;
  4. beide partijen dienen uit vrije wil een opdrachtovereenkomst te zijn aangegaan, waarbij de wil daartoe overeenstemt met de feitelijke uitvoering van de arbeidsrelatie.

Het sectorale en het civielrechtelijke rechtsvermoeden

Naast deze twee toetsen biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid om voor sectoren waarin het risico op schijnzelfstandigheid is verhoogd een sectoraal rechtsvermoeden in te voeren, dat bij Algemene Maatregel van Bestuur kan worden uitgewerkt op voordracht van de sector zelf.

Daarnaast blijft het uit VBAR bekende civielrechtelijke rechtsvermoeden van werknemerschap op basis van een wettelijk vastgesteld uurtarief gehandhaafd. Het rechtsvermoeden maakt het voor zzp’ers die minder dan 38 euro per uur verdienen (peildatum 1 januari 2026) makkelijker om hun rechtspositie op te eisen bij de werkgevende en indien nodig bij de rechter. Wanneer de werkende een beroep daarop doet, is het in de regel namelijk aan de opdrachtgever om aan te tonen dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is.

 

Kritische kanttekeningen

Bij het voorstel zijn naar onze mening verscheidene kanttekeningen te plaatsen.

Een eerste aandachtspunt betreft het cumulatieve karakter van de toetsen. Daarmee bedoelen wij dat het initiatiefwetsvoorstel ervan uit lijkt te gaan dat aan alle criteria van de zelfstandigen- en werkrelatietoets dient te zijn voldaan om te kwalificeren als zelfstandige (en aldus als zelfstandige buiten dienstverband te kunnen werken). Zowel de huidige rechtspraak als het wetsvoorstel VBAR gaan uit van een holistische beoordeling. Dat wil zeggen dat alle relevante omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden gewogen en het ontbreken van één enkel gezichtspunt/beoordelingscriterium niet zonder meer alleszeggend is voor de kwalificatie. De Zelfstandigenwet verlangt daarentegen dat aan álle criteria is voldaan. Die keuze brengt een aanzienlijke verzwaring mee ten opzichte van het

geldende toetsingskader. Zij heeft tot gevolg dat een werkende die naar de maatstaven van het economisch verkeer onmiskenbaar als zelfstandige functioneert, maar bijvoorbeeld heeft nagelaten in een pensioenvoorziening te voorzien, desondanks als werknemer dient te worden aangemerkt. Ons lijkt dat dit niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Niet zonder meer valt in te zien waarom een omstandigheid die zich geheel in de persoonlijke sfeer van de werkende afspeelt en waarop de opdrachtgever doorgaans geen wezenlijke invloed kan uitoefenen, voor diens rekening en risico zou behoren te komen.

Een tweede punt van aandacht is het verdwijnen van het inbeddingscriterium. Binnen het op dit moment vigerende beoordelingskader vormt een belangrijk gezichtspunt de vraag of de werkende en de werkzaamheden die hij verricht een structureel onderdeel uitmaken van de organisatie van de opdrachtgever. Dit gezichtspunt is in de Zelfstandigenwet niet langer als zodanig in de werkrelatietoets opgenomen. Daarmee wordt een in de rechtspraktijk belangrijk en naar onze mening relevant aanknopingspunt prijsgegeven, zonder dat (op voorhand) duidelijk is op welke manier dit verlies wordt ondervangen door de overige criteria.

Een derde kanttekening ziet op de gevolgen voor de Modelovereenkomsten van de Belastingdienst. Modelovereenkomsten verliezen hun werking zodra een wetswijziging of een rechterlijke uitspraak het oordeel van de Belastingdienst over de betreffende overeenkomst wezenlijk beïnvloedt. Gelet op de ingrijpende aard van de nu voorgestelde wijzigingen ligt het in de rede dat de Belastingdienst zich op het standpunt zal stellen dat de bestaande Modelovereenkomsten vanaf inwerkingtreding van de Zelfstandigenwet hun geldigheid verliezen. Opdrachtgevers zullen hun contractenportefeuille in dat geval opnieuw tegen het licht dienen te houden en waar nodig moeten herzien.

 

Conclusie

De Zelfstandigenwet kiest voor een andere aanpak dan VBAR. Niet het werknemerschap, maar de zelfstandigheid vormt het vertrekpunt bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. Naar onze mening biedt de beoogde Zelfstandigenwet (in ieder geval in de huidige vorm) niet de oplossing waar de praktijk om vraagt. De cumulatieve toepassing van de beide toetsingscriteria, het verdwijnen van het inbeddingscriterium en de waarschijnlijke intrekking van de Modelovereenkomsten roepen vragen op over de werkbaarheid en de rechtszekerheid van het voorstel. Of de Zelfstandigenwet in deze vorm wordt aangenomen of dat het voorstel nog wordt aangepast, zal de toekomst moeten uitwijzen. Opdrachtgevers en zelfstandigen doen er in de tussentijd verstandig aan de ontwikkelingen rondom de Zelfstandigenwet nauwlettend in de gaten de houden, zodat hier tijdig op kan worden ingespeeld. Immers, indien de Zelfstandigenwet in de huidige vorm zou worden doorgevoerd (hetgeen wij niet verwachten), dan brengt dat onvermijdelijk een behoorlijke verandering mee voor hun ZZP/inhuurbeleid.

Dit artikel is geschreven door mr. Philippe van den Heuvel en mr. Arthur Brandts, beiden werkzaam bij Thuis Partners binnen de sectie arbeidsrecht.

Was dit artikel nuttig?

Wij bespreken graag uw persoonlijke situatie tijdens een vrijblijvende kennismaking met een voor uw situatie relevante specialist.

Een van onze adviseurs neemt binnen uiterlijk één werkdag contact met u op om samen een afspraak in te plannen