De Hoge Raad heeft op 25 oktober 2024 een uitspraak gedaan over de reikwijdte van de Wet homologatie onderhands akkoord (‘WHOA’). Aanleiding was een door IHC Merwede Holding B.V. (‘IHC’) voorgesteld akkoord dat ertoe leidde dat banken financiering beschikbaar moesten blijven stellen, terwijl IHC op grond van de bestaande financieringsovereenkomst geen recht meer had op opname van krediet. De rechtbank Rotterdam had dit toegestaan, maar de Hoge Raad vernietigt het oordeel in het belang der wet en verduidelijkt hoe ver de WHOA kan reiken.
De achtergrond van de zaak
IHC verkeerde in financiële problemen en bood haar schuldeisers een WHOA-akkoord aan. Een consortium van negen banken had een committed facility van € 950 miljoen verstrekt, waarvan een deel nog niet was opgenomen. Door een betalingsachterstand op de zogenoemde Amazon-lening voldeed IHC echter niet langer aan de voorwaarden van de financieringsovereenkomst, zodat de resterende kredietruimte feitelijk was vervallen. Het WHOA-akkoord voorzag in verlenging van de Amazon-lening, wijziging van de rangorde in de Intercreditor Agreement en voortzetting van de kredietfaciliteiten, zij het in een lagere omvang. Hierdoor zouden de banken in de toekomst opnieuw financiering moeten verstrekken. Twee banken stemden tegen, waaronder Rabobank, maar de rechtbank homologeerde het akkoord.
Grenzen aan wijziging van financieringsverplichtingen
De Hoge Raad oordeelt dat de WHOA uitsluitend ziet op het wijzigen van bestaande rechten van schuldeisers, zoals openstaande vorderingen of de daaraan gekoppelde betalingsmomenten. De regeling biedt geen grondslag om financiers te verplichten nieuwe financiering te verstrekken of om een eerder toegezegde faciliteit toch beschikbaar te stellen als daar contractueel geen recht meer op bestaat.
Voor het wijzigen of beëindigen van lopende overeenkomsten bestaat het aparte instrument van artikel 373 Faillissementswet (‘Fw’). Ook deze bepaling biedt echter geen mogelijkheid om een wederpartij te dwingen een overeenkomst onder gewijzigde voorwaarden voort te zetten. De wetgever heeft die dwangpositie niet willen creëren, zo blijkt duidelijk uit de parlementaire geschiedenis.
Bescherming van schuldeisers
Het opleggen van nieuwe financieringsverplichtingen zou volgens de Hoge Raad ook op gespannen voet staan met het no creditor worse off-beginsel, dat waarborgt dat schuldeisers niet slechter af zijn dan in een faillissementsscenario. De WHOA is een middel om schuldverhoudingen te herstructureren, maar niet om financiering af te dwingen. Dat de regeling bedoeld is als een flexibel instrument, betekent volgens de Hoge Raad niet dat de grenzen van de wet kunnen worden opgerekt.
Rangorde kan wél worden aangepast
De Hoge Raad maakt wel duidelijk dat rangordeverschuivingen – zowel contractueel als goederenrechtelijk – onder de WHOA mogelijk zijn, omdat dit kwalificeert als een wijziging van schuldeisersrechten in de zin van artikel 370 lid 1 Fw. Deze wijzigingen moeten wel binnen de kaders van de absolute priority rule blijven. Financiëlezekerheidsovereenkomsten en verrekenbedingen in de zin van artikel 7:51 BW blijven buiten bereik van de WHOA en kunnen dus niet via een akkoord worden gewijzigd.
Betekenis voor de praktijk
Deze uitspraak heeft grote praktische impact. Ondernemingen die een WHOA-traject ingaan en daarbij afhankelijk zijn van extra financiering, kunnen banksyndicaten of andere financiers niet dwingen om kredietruimte beschikbaar te stellen. Nieuwe of voortgezette financiering blijft een kwestie van vrijwillige instemming.
Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat de WHOA een krachtig instrument voor schuldherstructurering is, maar geen middel om financieringsafspraken eenzijdig om te buigen. Financiers behouden hun contractuele positie en kunnen niet via een akkoord tot kredietverlening worden verplicht.