Strafrechter beslist eenzijdig over gedwongen opname

03 december, 2021

Op grond van de Wvggz of Wzd, beide ingevoerd op 1 januari 2020, is voor gedwongen zorgverlening een rechterlijke machtiging vereist. Een beslissing van de (civiele) rechter wordt nodig geacht, omdat er sprake is van onvrijwilligheid en in sommige gevallen zelfs van vrijheidsbeneming.  Het gelijktijdig in werking getreden artikel 2.3 Wet forensische zorg (Wfz) maakt het mogelijk dat ook de strafrechter voortaan beschikt over de mogelijkheid om een dergelijke, civielrechtelijke, zorgmachtiging te geven. Deze bevoegdheid komt in de plaats van de strafrechtelijke maatregel van artikel 37 Sr tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

In de afgelopen jaren is uitgebreid nagedacht over het verbeteren van zowel de kwaliteit van de forensische zorg als de aansluiting hiervan op de zorg in de reguliere ggz. Hiervoor zijn verschillende aanleidingen te noemen. Eén daarvan is de geconstateerde toename van gedetineerden met een psychiatrische aandoening en/of verstandelijke beperking, terwijl de mogelijkheden tot behandeling daarvoor gedurende detentie beperkt zijn. Plaatsing in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg verloopt bovendien vaak problematisch. Met de nieuwe wetgeving wordt beoogd om zorg in een straf- en civielrechtelijk kader beter op elkaar af te stemmen. De vraag is of dat is gelukt.

Voor het afgeven van een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 Wfz is, anders dan voor het opleggen van de oude strafrechtelijke maatregel ex artikel 37 Sr, geen ontoerekeningsvatbaarheid meer vereist. Er hoeft ‘slechts’ voldaan te worden aan de wettelijke criteria van de Wvggz of Wzd. Dit betekent dat de civiele machtiging nu openstaat voor personen die, deels vanuit hun ziektebeeld en deels vanuit andere factoren, een delict plegen. Deze mensen ondervinden inderdaad ernstig nadeel, maar er is meer aan de hand: zij hebben behandeling in een forensisch kader nodig, althans in een behandelomgeving met een hoger beveiligingsniveau. De praktijk worstelt op dit moment met deze groep. Een van de knelpunten is de beperkte mogelijkheid tot beveiliging in de reguliere ggz.[1] Een ander in de praktijk gesignaleerd probleem is dat een gedwongen opname in de reguliere ggz kan leiden tot niet-passende zorg, gezien het verschil in doelstellingen[2].

Doel van de forensische zorg is primair vermindering van recidive ten behoeve van de veiligheid van de samenleving en secundair het herstel van de forensische patiënt. Verplichte zorg krachtens de Wvggz kan alleen worden verleend indien er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn, het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg, evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief en veilig is. Met de Wvggz wordt daarnaast het verminderen van dwangmaatregelen en het zo veel mogelijk ambulant behandelen van de patiënt beoogd.

Prinsen, de voorzitter van de NVvP (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie), is van mening dat er sprake is van een “ongewenste rechtsvermenging”. Hij vindt het onwenselijk dat de strafrechter met toepassing van artikel 2.3 Wfz eenzijdig kan beslissen dat een gedwongen opname nodig is, terwijl normaal gesproken in overleg tussen een psychiater, officier van justitie en civiele rechter wordt besloten of dit geïndiceerd is; “Het is te vergelijken met een rechter die oplegt dat een patiënt geopereerd moet worden, terwijl de chirurg vindt dat daar geen indicatie voor is”[3].

Vermoedelijk heeft Prinsen daarbij het oog op een geval waarin onlangs arrest is gewezen door de Hoge Raad.[4] Daarin moest een beslissing worden gegeven over de vraag of de strafrechter ook een zorgmachtiging mag afgeven, als het OM daartoe geen verzoek heeft ingediend. De OvJ had wel een dergelijk verzoek voorbereid, maar uiteindelijk niet ingediend met de mededeling dat uit de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur is gebleken dat niet wordt voldaan aan de eis van doelmatigheid en aan de eis van te verwachten effectiviteit van de verplichte zorg. De behandeling in een reguliere GGZ-instelling zou niet doelmatig zijn voor het afwenden van ernstig nadeel, met name gelet op het risico van recidive. De strafrechter verleende desondanks een zorgmachtiging.

De Hoge Raad oordeelt dat in artikel 2.3 Wfz is bepaald dat de strafrechter – anders dan zijn civiele collega – ook ambtshalve een zorgmachtiging mag geven. Wel wordt dit oordeel vervolgd met de waarschuwing dat “wanneer de zorgmachtiging ambtshalve door de rechter wordt afgegeven en de verplichte zorg bestaat uit de opname van de betrokkene in een accommodatie, de rechter in de zorgmachtiging aandacht dient te besteden aan de vraag welke accommodatie geschikt is voor de betrokkene, gelet op zijn zorgbehoefte en de eventueel vereiste beveiliging. De rechter kan zo nodig bepalen op welke wijze de zorgmachtiging ten uitvoer moet worden gelegd, totdat een plek voor de betrokkene in een geschikte accommodatie beschikbaar is.”

Volgens de annotator bij dit arrest blijkt hieruit dat de strafrechter een dergelijke zorgmachtiging “eigenlijk alleen verantwoord kan afgeven als daaraan voorafgaand in de voorbereiding van de beslissing is gebleken dat er een accommodatie bereid, geschikt en in staat is de betrokkene (meteen) na het afgeven van de zorgmachtiging op te nemen. Die beschikbaarheid kan de strafrechter niet met het gebruik van zijn ambtshalve bevoegdheid om een zorgmachtiging te verlenen afdwingen en dat moet hij ook niet willen c.q. menen te kunnen doen[5].”

Indien deze waarschuwing ter harte wordt genomen is de kloof tussen de forensische en civiele geestelijke gezondheidszorg[6] wellicht nog te overbruggen.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Fokje Kuiper. Vragen over de zorgmachtiging binnen de Wfz of de Wvggz? Neem dan contact op met één van onze gezondheidsrechtspecialisten.

 

 

[1] Zie het artikel “De invoering van artikel 2.3 Wet forensische zorg” van Laura van Oploo, Merel Prinsen & Theo Bakkum in NJB 2020/2166

[2] Zie onder andere de brief van de Nederlandse GGZ, de NVvP en de V&VN aan de vaste Kamercommissies voor VWS en J&V d.d. 25 mei 2021

[3] Aldus Prinsen in een interview met Simone Pauw, gepubliceerd in Medisch Contact van 26 mei 2021

[4] ECLI:NL:HR:2021:534

[5] Noot van P.A.M. Mevis

[6] Zie ook het artikel van mr. drs. J.B. van der Aa in TvGR 2021, aflevering 4

‘Alsof de rechter oplegt dat een patiënt geopereerd moet worden, terwijl de chirurg vindt dat er geen indicatie is’

Was dit artikel nuttig?

Wij bespreken graag uw persoonlijke situatie tijdens een vrijblijvende kennismaking met een voor uw situatie relevante specialist.

Een van onze adviseurs neemt binnen uiterlijk één werkdag contact met u op om samen een afspraak in te plannen