Klacht namens (overleden) patiënt wel of niet ontvankelijk?

01 juli, 2022

Na het overlijden van een patiënt krijgen artsen geregeld te maken met familieleden die een tuchtzaak aanhangig maken, omdat zij klachten hebben over de aan de patiënt verleende zorg. Hoe gaat de tuchtrechter hiermee om als de patiënt zelf niet ontevreden leek met de medische behandeling of de gestelde diagnose? Maakt het verschil of de patiënt een mentor had? En wat als de patiënt nog leefde op het moment dat de klacht werd ingediend? Deze vragen komen aan bod in de hierna te bespreken tuchtrechtuitspraken.

Waarover ging de klacht?

Op 13 april jl. moest het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) in hoger beroep oordelen over een klacht, ingediend door een nichtje van een inmiddels overleden patiënte. Zij verweet de behandelend geriater dat zij onvoldoende onderzoek had gedaan en dat zij niet de diagnose dementie had mogen stellen. Volgens het nichtje zou haar tante daardoor ten onrechte op een gesloten afdeling zijn opgenomen, waar zij “een lijdensweg had moeten ondergaan”. Het was niet de eerste keer dat de nicht hierover klaagde. Zij had enkele jaren daarvoor al een soortgelijke klacht ingediend jegens de geriater. Op het moment van indien was de nicht als mentor van haar tante aangesteld.  Hangende de procedure werd er echter iemand anders tot mentor benoemd, die de klacht introk. Nadat tante was overleden diende het nichtje dezelfde klacht nogmaals in.

Veronderstelde wil patiënt

De geriater verweerde zich met een beroep op het ne bis in idem-beginsel. Daarnaast vond zij dat klaagster na het verlies van haar mentorschap niet langer bevoegd was om een klacht in te dienen namens haar tante.  In beide gevallen zou dit tot een niet-ontvankelijkheid van de klacht moeten leiden, aldus de arts. Het Regionaal Tuchtcollege (RTG) te Eindhoven wees het beroep op het ne bis in idem-beginsel af, omdat de eerste klacht nog voor de inhoudelijke behandeling was ingetrokken. Op het tweede punt kreeg de arts echter gelijk. Volgens vaste rechtspraak kan na het overlijden van een patiënt een nabestaande bevoegd zijn om een klacht in te dienen, behalve als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit betreft geen eigen, maar een afgeleid klachtrecht, gebaseerd op de veronderstelde wil van de overleden patiënt. Naar het oordeel van het RTG moest de opvolgend mentor worden geacht de wil van de patiënte te vertegenwoordigen. Voor een afgeleid klachtrecht van het nichtje was daarom geen plaats meer.

Invloed standpunt mentor

Het CTG denkt hier anders over. Van belang is of degene die klaagt daardoor de veronderstelde wil van de overleden patiënt uitdrukt. Het is niet de taak van de tuchtrechter om daar ambtshalve een onderzoek naar te doen. Als er een klacht wordt ingediend door een nabestaande, dan wordt ervan uitgegaan dat de overleden patiënt dit zou hebben gewild. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven hieraan te twijfelen is volgens het CTG geen sprake, omdat de mentor de klacht alleen maar had ingetrokken wegens een gebrek aan informatie. Met het overlijden van de patiënt is bovendien een einde gekomen aan het mentorschap. Dat betekent dat aan het standpunt van de gewezen mentor geen rechtstreekse betekenis meer toekomt, al kan dit indirect wel iets zeggen over de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. Dat de patiënte volgens de mentor niet ontevreden was over de behandeling, is volgens het CTG onvoldoende om vast te kunnen stellen dat een tuchtklacht over de gestelde diagnose dementie niet in overeenstemming zou zijn geweest met de wil van de overleden patiënte.

Klacht ingediend tijdens leven van de patiënt

Amper een maand later moest het RTG te Amsterdam oordelen over een klacht van een dochter, ingediend tegen de specialist ouderengeneeskunde van haar 84-jarige vader. Vader was sinds 2003 bekend met cardiale klachten. De klacht hield onder meer in dat de patiënt pas na forse druk van klaagster was ingestuurd naar het ziekenhuis. Kort na het indienen van de klacht overleed vader aan hartfalen.

Ook deze arts vond dat klaagster niet ontvankelijk was in haar klacht, met name omdat de patiënt ten tijde van het indienen daarvan nog leefde en niet was gebleken dat hij ontevreden was over het medische beleid. De arts werd in het gelijk gesteld. Het RTG oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven eraan te twijfelen of de klacht wel in overeenstemming is met de wil van de patiënt. Daarbij wordt met name gewicht toegekend aan het feit dat de patiënt nog leefde op het moment dat de klacht werd ingediend en dat uit de klacht niet blijkt dat deze met instemming van de patiënt is ingediend.

Conclusie

Een klacht van een nabestaande wordt al snel geacht in overeenstemming te zijn met de wil van de overleden patiënt. Als de patiënt zich bij leven niet duidelijk heeft uitgesproken, is dit geen reden om de nabestaande niet ontvankelijk te verklaren. Is de klacht echter ingediend op het moment dat de patiënt nog leeft, dan moet deze juist wel uitdrukkelijk hebben ingestemd met het indienen van de klacht.

Een klacht van een nabestaande wordt al snel geacht in overeenstemming te zijn met de wil van de overleden patiënt

Was dit artikel nuttig?

Wij bespreken graag uw persoonlijke situatie tijdens een vrijblijvende kennismaking met een voor uw situatie relevante specialist.

Een van onze adviseurs neemt binnen uiterlijk één werkdag contact met u op om samen een afspraak in te plannen