Nico-van-der-Peet
 
NL / EN / DE

Het uitkeringsregister voor stichtingen

1 Inleiding

De invoering van het UBO-register had veel haken en ogen. Voor stichtingen kwam daar nog een afterburner bij. Bij de “Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten” is namelijk het nieuwe artikel 2:290 BW ingevoerd dat luidt: 

“1. Het bestuur van de stichting houdt een register bij waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan 25 procent van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan.

2. Het register wordt regelmatig bijgehouden.” 

De wettelijke verplichting voor stichtingen om een uitkeringsregister bij te houden, is op 8 juli 2020 in werking getreden. Het niet bijhouden van een uitkeringsregister is een economisch delict. In dit artikel wordt deze, voor vele stichtingen onopgemerkt ingevoerde, regelgeving nader geduid. Spoiler alert: de wetsgeschiedenis blinkt niet uit in helderheid (integendeel); daarom zal in dit artikel met name worden ingegaan op hoe praktisch invulling kan worden gegeven aan het bijhouden van een uitkeringsregister door stichtingen. 

2 Achtergrond van het uitkeringsregister

De wetsgeschiedenis bij dit artikel reikt niet veel verder dan dat als reden voor invoering wordt verwezen naar een aanbeveling van het OESO Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes (Global Forum) in 2011 en 2018. Hierbij werd beoordeeld in hoeverre Nederland voldoet aan de internationale standaarden voor het uitwisselen van informatie voor belastingdoeleinden op verzoek van belastingautoriteiten in andere jurisdicties. De Nederlandse wetgever heeft gemeend deze aanbeveling klakkeloos te moeten overnemen. De wetgever laat zich daarbij niet uit over wat een uitkering bij stichtingen inhoudt en wat onder het voor uitkering vatbare bedrag moet worden verstaan. Het door de wetgever gekozen drempelpercentage tot 25% is niet goed te volgen, omdat de wetgever toelicht dat de begunstigden bij uitkeringen boven dat percentage moeten worden geregistreerd als uiteindelijk belanghebbende. Dat kan niet juist zijn. Bij de stichting geldt immers een wettelijk verbod om een uitkering te doen aan oprichters, leden van organen of anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Kort en goed, het nieuw ingevoerde uitkeringsregister is weinig doordacht. 

3 Het uitkeringsregister in de praktijk

3.1 Inleiding

Bij gebrek aan duiding door de wetgever geven wij hierbij praktische handreikingen hoe, met toch enige mate van zekerheid, in de praktijk het verplichte uitkeringsregister kan worden bijgehouden. 

3.2 Uitkeringen

De wetgever definieert het begrip uitkering in de zin van artikel 2:290 BW niet. Dat had de wetgever wel eerder gedaan bij voornoemd stichtingsrechtelijk uitkeringsverbod. De term uitkering is toen gedefinieerd als een onverplichte prestatie dan wel een prestatie waartegen niet een gelijkwaardige tegenprestatie staat (let wel, een (tegen)prestatie kan in geld en/of natura worden gedaan). Het ligt voor de hand om deze definitie van “uitkering” ook voor het uitkeringenregister te hanteren en, eenvoudig gezegd, iedere uitkering, schenking, gift, donatie of ander niet (volledig) zakelijke transactie in geld of natura te registreren in het uitkeringsregister. 

3.3 Het percentage

Zoals hiervoor gemeld, kan het door de wetgever gekozen drempelpercentage tot 25% niet juist zijn. Het door de wetgever genoemde percentage kan daarom maar beter worden vergeten. Wanneer stichtingen, ongeacht het percentage, iedere uitkering, schenking, gift, donatie of ander niet (volledig) zakelijke transactie in geld of natura registreren in het uitkeringsregister, zit men altijd goed. Er is immers ook geen verbod om uitkeringen boven het gekozen drempelpercentage tot 25% te registreren. 

3.4 Het “voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar”

Er bestaat voor de stichting geen wettelijke verplichting om het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar vast te stellen. Een stichting stelt het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar (doorgaans) ook niet vast. Bij gebrek aan duiding door de wetgever, en nu het voor uitkering vatbare bedrag uitsluitend in relatie staat tot het genoemde percentage van 25% dat niet juist kan zijn, heeft ook deze wettelijke frase weinige betekenis. Ook het “voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar” lijkt voor het bijhouden van een uitkeringsregister van geen belang. 

Iets anders is dat de stichting uiteraard geen schenkingen, giften, donaties of ander niet (volledig) zakelijke transacties in geld of natura moet doen, wanneer zij weet of behoort te begrijpen dat de stichting na die transactie(s) niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Mogelijk heeft de wetgever hierop willen duiden bij deze passage, maar ook dat blijkt niet uit de wetsgeschiedenis. 

4 Conclusie

De wetgever is weinig behulpzaam geweest voor stichtingen bij de invoering van het uitkeringsregister. Niettemin zal iedere stichting aan deze wettelijke verplichting moeten voldoen. In de praktijk zal relatief eenvoudig een uitkeringsregister kunnen worden bijgehouden door per boekjaar de (i) namen, (ii) adressen, (iii) data en (iv) prestatie van iedere uitkering, schenking, gift, donatie of ander niet (volledig) zakelijke transactie in geld of natura te registeren. 

Bij vragen over het uitkeringsregister staat Thuis Partners advocaten voor u klaar (nvdpeet@thuispartners.nl, www.thuispartners.nl, T 0031 45 571 9005).

Algemene voorwaarden Disclaimer Privacyverklaring Cookieverklaring